Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 april 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:1182
Feiten
De Stichting VU is de rechtspersoon waarbinnen de Vrije Universiteit Amsterdam haar werkzaamheden verricht. Binnen de VU zijn er diverse faculteiten. Eén daarvan is de FRT. Het belangrijkste bestuursorgaan binnen de FRT is het Faculteitsbestuur (hierna: het FB). De ondernemingsraad, ingesteld voor de VU, heeft de Onderdeelcommissie (hierna: de ODC) ingesteld. Tussen de OR en het CvB geldt een convenant van 23 mei 2007 getiteld ‘Aspecten bij reorganisaties: het stappenplan’ (hierna: het Stappenplan). Op 6 december 2018 heeft het FB de ODC tijdens een informeel overleg op de hoogte gesteld van een voorgenomen reorganisatie bij de FRT. In een (individueel) gesprek en bij brief van 21 januari 2019 heeft het FB de betrokken medewerkers bericht over een reorganisatie in 2019. Op 23 januari 2019 is de OR formeel op de hoogte gesteld van het voornemen tot reorganisatie van de FRT. Op 26 februari 2019 heeft het CvB een voorgenomen besluit tot reorganisatie genomen. Op 1 maart 2019 is de OR om advies gevraagd. Het CvB heeft in de adviesaanvraag aangegeven dat beoogd werd toe te werken naar een inhoudelijk en financieel gezonde toekomst, maar dat bij het vaststellen van de financiële kaders voor 2019 duidelijk werd dat de financiële kwetsbaarheid zeer urgent was. In het reorganisatieplan staat voorts dat acht medewerkers door de reorganisatie ‘ontslagbedreigd’ raken. De OR heeft op 24 juni 2019 een negatief advies uitgebracht. Partijen zijn vervolgens nader in gesprek gegaan. Het door de OR op 29 augustus 2019 aangedragen alternatieve plan (met als inzet: gedwongen ontslagen voorkomen door middel van natuurlijk verloop) heeft de VU gemotiveerd verworpen. Op 10 september 2019 heeft het CvB het besluit genomen tot reorganisatie van de FRT, in afwijking van het advies van de OR. De OR verzoekt de Ondernemingskamer voor recht te verklaren dat de VU bij de afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit tot reorganisatie van de FRT van 10 september 2019.
Oordeel
Procedurele bezwaren
De OR verwijt de VU onder meer niet volgens het Stappenplan te hebben gehandeld, omdat de ODC niet tijdig en volledig bij het opstellen van het voorgenomen reorganisatieplan is betrokken (stap 1) en de medewerkers te vroeg zijn geïnformeerd en al zijn geraadpleegd voordat de stappen 1 tot en met 4 waren doorlopen. De Ondernemingskamer overweegt dat van een substantiële betrokkenheid van de ODC in de fase waarin de eerste versie van het conceptreorganisatieplan is opgesteld, niet is gebleken. Dit brengt echter niet mee dat de VU daarmee heeft gehandeld in strijd met het Stappenplan. Zoals volgt uit de toelichting wordt het in stap 1 raadzaam geacht de decentrale medezeggenschap bij de plannen te betrekken, maar wordt dit niet met zoveel woorden voorgeschreven en wordt ook opengelaten op welk moment en op welke wijze dit zou moeten gebeuren. Het FB had derhalve de vrijheid te handelen zoals het heeft gedaan, dat wil zeggen door eerst een globale bespreking met de ODC te houden en pas daarna de ODC verder inhoudelijk te betrekken. Ook op het gebied van het informeren van het personeel dat rechtstreeks door de voorgenomen reorganisatie wordt getroffen bevat het Stappenplan geen dwingende regels. Weliswaar wordt in het Stappenplan het raadplegen van de betrokken medewerkers voorzien in stap 5, maar bij stap 1 wordt er met zoveel woorden op gewezen dat vooral van belang is de medewerkers tijdig te informeren en openheid te betrachten, zodat men zich niet overvallen voelt. De VU heeft toegelicht dat het FB tot het vroegtijdig informeren van de betrokken medewerkers heeft besloten omdat, gelet op de omvang van de faculteit, de maatregelen direct herleidbaar zijn tot individuele medewerkers. Het FB heeft daarom vroegtijdig individuele gesprekken gevoerd. Hiermee heeft de VU voldoende uitgelegd waarom zij zo gehandeld heeft. Zij heeft het doen van eerst uitsluitend een generieke mededeling, wat zij volgens de OR had moeten doen, kennelijk in dit geval minder passend geacht. De gemaakte afweging valt in de gegeven omstandigheden te billijken.
Materiële bezwaren
De Ondernemingskamer constateert dat de VU in de loop van het adviestraject antwoord heeft gegeven op de door de OR gestelde vragen. Dat niet alle vragen in de visie van de OR naar tevredenheid zijn beantwoord doet daaraan niet af. Waar het gaat om ontwikkelingen in de toekomst, is daaraan inherent dat er geen cijfermatige zekerheden zijn en is het niet onredelijk dat de VU deze deels heeft gebaseerd op beredeneerde veronderstellingen. De VU heeft verder voldoende uitgelegd op welke gronden zij tot het reorganisatiebesluit is gekomen. De VU heeft ook herhaaldelijk uitgelegd waarom zij het alternatief van natuurlijk verloop niet voldoende achtte om de door haar gewenste structurele verbetering te bewerkstelligen. De Ondernemingskamer deelt niet het standpunt van de OR dat de VU daarbij onvoldoende inzicht heeft gegeven in de afweging die in dat kader is gemaakt. De VU heeft haar keuzes voldoende toegelicht en heeft in redelijkheid tot het besluit kunnen komen. Het vermoeden van de OR dat sprake is van een verborgen agenda kan bij die stand van zaken geen zelfstandige rol spelen.
Slotsom
De slotsom luidt dat hetgeen door de OR is aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat de VU niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De verzoeken van de OR worden afgewezen.