Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 15 mei 2020
ECLI:NL:RBZWB:2020:2184
Schorsing van concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst en de hieraan voorafgaande freelanceovereenkomst, omdat deze eveneens als arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd. Geen relevante verschillen in de feitelijke uitvoering van beide overeenkomsten, dus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om dit beding wel in stand te laten.

Feiten

Werkgever maakt en monteert diverse video’s. In 2015 is werknemer stagiair geweest bij werkgever. Vanaf maart 2016 heeft hij als freelancer in opdracht van werkgever gewerkt. In de freelanceovereenkomst was een concurrentiebeding opgenomen. Met ingang van 1 januari 2019 is werknemer bij werkgever in dienst getreden en per 1 januari 2020 was dit voor onbepaalde tijd. Ook in de arbeidsovereenkomst was een relatie- en concurrentiebeding opgenomen. Werknemer heeft op 3 januari 2020 een arbeidsovereenkomst gesloten met een ander bedrijf. In een e-mail van 4 januari 2020 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst met werkgever opgezegd. Werkgever heeft werknemer bij brief van 23 januari 2020 gewezen op de overeengekomen bedingen. In diezelfde brief heeft werkgever aan werknemer een voorstel gedaan. Werknemer heeft  een tegenverzoek gedaan, dat door werkgever werd afgewezen. Toen werknemer later alsnog het eerdere voorstel van werkgever wilde accepteren, was dit voorstel verlopen. Werknemer heeft zich toen ziek gemeld. In deze procedure vordert werknemer schorsing van de bedingen.

Oordeel

De kantonrechter overweegt allereerst dat de in de arbeidsovereenkomst opgenomen bedingen geldig zijn, conform artikel 7:653 BW. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft werkgever voldoende onderbouwd dat er een overlap is in de diensten die werkgever en het andere bedrijf verrichten, zodat zij in zoverre elkaars concurrent kunnen zijn. Daarmee is echter niet onmiddellijk gezegd dat werknemer in strijd met het concurrentiebeding handelt wanneer hij bij dit andere bedrijf in dienst treedt. De enkele omstandigheid dat werknemer veel van zijn kennis en vaardigheden als cameraman/editor bij werkgever heeft opgedaan is niet voldoende om vast te stellen dat werknemer het bedrijfsdebiet van werkgever aantast. Werkgever heeft echter aangevoerd dat bij een overstap van werknemer naar het andere bedrijf die aantasting wel bestaat, doordat werknemer met een groot deel van de kennis/kunde naar de concurrent stapt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is echter geen sprake van aantasting van het bedrijfsdebiet op een wijze die bescherming verdient boven het belang van werknemer. De kantonrechter acht dan ook voldoende aannemelijk dat het beding in een eventuele bodemprocedure zal worden vernietigd en vooruitlopend daarop wordt dit beding geschorst. Anders is dit voor het relatiebeding. Aangezien dit beding werknemer niet in belangrijke mate hindert om in zijn levensonderhoud te voorzien,  bestaat geen grond om over te gaan tot schorsing. Ten aanzien van de freelanceovereenkomst wordt overwogen dat de vordering van werknemer niet rechtstreeks kan worden beoordeeld op grond van artikel 7:653 BW, maar dient te worden beoordeeld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Hierbij weegt de kantonrechter de arbeidshistorie van werknemer bij werkgever mee: na een stage volgde de freelanceovereenkomst en daarna de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat geen essentiële verschillen bestonden tussen de werkzaamheden van werknemer als freelancer en die als werknemer. Ook is gesteld noch gebleken dat werknemer gedurende de periode dat hij als freelancer verbonden was aan werkgever, andere opdrachtgevers had dan werkgever. Dit maakt dat aangenomen moet worden dat werknemer onder de werking van de freelanceovereenkomst feitelijk als werknemer voor werkgever heeft gewerkt. De kantonrechter kijkt aldus door de juridische constructie van de freelanceovereenkomst heen en ziet grote gelijkenissen met een arbeidsovereenkomst. Onder deze omstandigheden moet het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht indien het concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst moet worden geschorst, maar eenzelfde of zelfs verdergaand concurrentiebeding van een voorafgaande freelanceovereenkomst in stand blijft, terwijl de feitelijke omstandigheden onder beide overeenkomsten gelijk zijn. Dat leidt tot de conclusie dat ook dit concurrentiebeding moet worden geschorst.