Rechtspraak
Feiten
Werknemer is vanaf 18 mei 2015 tot 27 februari 2020 als internationaal chauffeur in dienst geweest bij werkgever. In de arbeidsovereenkomst, waarbij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, is een non-concurrentiebeding opgenomen. In de periode oktober 2018-mei 2019 zijn door bedrijf 1 de aandelen van werkgever verkocht en geleverd aan bedrijf 2. Op 1 maart 2020 is werknemer als chauffeur in dienst getreden bij bedrijf 3. Werkgever vordert werknemer te veroordelen zijn werkzaamheden voor bedrijf 3 te staken en gestaakt te houden en vordert de contractuele boete.
Oordeel
Geldigheid beding
Niet in geschil is dat werknemer met de indiensttreding bij bedrijf 3, dat zich net als werkgever bezighoudt met gespecialiseerd vervoer van vloeistoffen en gassen, op zichzelf handelt in strijd met het concurrentiebeding. De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of het beding zijn werking heeft verloren omdat het niet opnieuw schriftelijk is overeengekomen toen werkgever onderdeel ging uitmaken van het concern van bedrijf 2. Zoals werkgever onbetwist heeft gesteld is er in de loop van de jaren dat werknemer werkzaam was voor werkgever niets gewijzigd in de functie van werknemer. Ook zijn werkgever is gelijk gebleven. De aandelen van werkgever zijn weliswaar in handen gekomen van een andere vennootschap, maar de identiteit van werkgever is niet veranderd en zijn activiteiten evenmin. De enkele schaalvergroting door opname van werkgever in een groter concern en een wijziging in beleid en sfeer kan dan redelijkerwijs niet als een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding worden aangemerkt. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het concurrentiebeding sinds de toetreding tot het concern van bedrijf 2 aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Van belang is daarbij dat het bereik van het beding niet is gewijzigd. Het concurrentiebeding heeft dus, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, zijn geldigheid behouden.
Belangenafweging
Werkgever heeft zijn belang bij het concurrentiebeding voldoende aannemelijk gemaakt. Dat belang is vooral gelegen in het waarborgen van de continuïteit van de bedrijfsvoering. Hij is aangewezen op vrachtwagenchauffeurs die zijn gediplomeerd voor het vervoeren van vloeistoffen en gassen. Als gediplomeerde medewerkers overstappen, komt de continuïteit in gedrang omdat de arbeidsmarkt krap is. Werkgever heeft voorts aannemelijk gemaakt dat werknemer tijdens zijn dienstverband specifieke knowhow heeft opgedaan aangaande de specifieke werkwijzen van klanten van werkgever. Deze knowhow kan hij bij bedrijf 3 aanwenden om te concurreren met werkgever nu bedrijf 3 zich op dezelfde klantenkring richt. Werkgever wil met het beding dus zijn bedrijfsdebiet beschermen, hetgeen op zichzelf een gerechtvaardigd belang is. Het door werknemer gestelde belang van positieverbetering (hoger salaris) en een verbetering van sfeer weegt daar niet tegen op. Van belang is voorts dat werknemer er zelf voor heeft gekozen om zijn dienstverband te beëindigen. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat werknemer niet in een andere tak van transport dan het vervoer van vloeistoffen en gassen werkzaam kan zijn. Al met al kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat werknemer onbillijk wordt benadeeld door het concurrentiebeding in verhouding tot het te beschermen belang van werkgever.