Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 mei 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:1277
Feiten
Werknemer is op 2 oktober 2002 in dienst getreden van Bal Seal. Per brief d.d. 12 januari 2016 is werknemer op staande voet ontslagen wegens zijn betrokkenheid bij Allegha Limited (hierna: Allegaha) en Lentic Engineering Limited (hierna: Lentic). Allegha en Lentic hebben producten van Bal Seal verkocht in het Verenigd Koninkrijk. Werknemer werd in de ontslagbrief verweten dat hij van deze bedrijven in de jaren 2008 tot 2012 aandeelhouder is geweest en bestuurder van Lentic en zich in die jaren heeft verrijkt met commissiebetalingen. Werknemer zou daarmee het nevenwerkzaamhedenbeding en het non-concurrentiebeding uit zijn arbeidsovereenkomst en de secrecy-agreement hebben overtreden en boetes hebben verbeurd. In eerste aanleg heeft de kantonrechter overwogen dat het ontslag terecht is verleend en het verzoek tot vernietiging afgewezen. Verder is voor recht verklaard dat de boeteclausules nietig zijn.
Oordeel
In de eerste plaats is van belang dat Bal Seal niet incidenteel heeft geappelleerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen van Bal Seal niet toewijsbaar zijn voor zover deze zijn gebaseerd op de boetebedingen. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat werknemer zich door zijn betrokkenheid bij Allegha en Lentic schuldig heeft gemaakt aan een onaanvaardbare belangenverstrengeling en het in hem gestelde vertrouwen als CEO op ernstige wijze heeft geschonden en daarvan financieel voordeel heeft genoten, alleen al omdat werknemer evident in strijd heeft gehandeld met de bedrijfseconomische belangen van Bal Seal, hij Bal Seal daardoor nadeel heeft berokkend en dit voor hem van meet af aan kenbaar was, althans hij dit redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Dat werknemer, zoals hij aanvoert, slechts in beperkte mate betrokken zou zijn geweest bij de activiteiten van Allegha en Lentic en zich ondertussen volledig bleef inspannen voor Bal Seal doet daar, wat daarvan ook zij, niet aan af. Dat werknemer niet in strijd met het concurrentiebeding zou hebben gehandeld omdat Allegha en Lentic uitsluitend producten van Bal Seal zelf hebben verkocht, is verder apert onjuist. Het concurrentiebeding verbood hem immers ook samenwerking met een bedrijf dat zich bezighield met dezelfde activiteiten als Bal Seal.
Hoogte van de schade
Wat betreft de hoogte van de te vergoeden schade stelt het hof allereerst vast dat werknemer geen grief heeft gericht tegen de manier waarop de kantonrechter deze overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:104 BW heeft begroot. Werknemer heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen vaststellen dat zijn handelen voordeel heeft opgeleverd voor Bal Seal zodat, anders dan hij bepleit, voor toepassing van artikel 6:100 BW geen aanleiding bestaat. In aanmerking genomen de aard van de aansprakelijkheid van werknemer, het verwijt dat hem voor het ontstaan van de schade treft en de financiële gevolgen die de veroordeling tot schadevergoeding voor hem zal hebben, kan niet worden geoordeeld dat toekenning van de volledige schadevergoeding zou leiden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zoals bedoeld in artikel 6:109 lid 1 BW.