Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werkneemster
Rechtbank Den Haag (Locatie Leiden), 10 juni 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:5197
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst (mede op verzoek van werkneemster zelf) wegens een verstoorde arbeidsverhouding tussen werkgever en een van kindermishandeling strafrechtelijk beschuldigde pedagogisch medewerker.

Feiten

Werkgever is een kinderopvangorganisatie. Per 1 februari 2019 is werkneemster begonnen op een kinderdagverblijf in de functie van pedagogisch medewerker. Op 27 februari 2020 heeft een collega van werkneemster per e-mail aan het locatiehoofd van werkgever melding gemaakt van haar zorgen omtrent gedragingen van werkneemster. Binnen de kinderopvang geldt de wettelijke verplichting Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De manager P&O heeft conform het stappenplan contact gelegd met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs om melding van kindermishandeling te doen. De vertrouwensinspecteur gaf het advies de politie in te schakelen. In het stappenplan is aangegeven dat de betrokken medewerker voor de duur van het onderzoek op non-actief moet worden gesteld. Op 2 maart 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster, het locatiehoofd en de manager P&O. In dit gesprek is werkneemster op non-actief gesteld. Op verzoek van werkgever hebben vier directe collega’s van werkneemster hun ervaringen met werkneemster op papier gezet. Op 12 en 13 maart 2020 heeft de politie deze medewerkers gehoord. De processen-verbaal van verhoor zijn vervolgens voorgelegd aan de officier van justitie met expertise kindermishandeling. Op 24 maart 2020 heeft de directeur van werkneemster tegenover de politie aangifte gedaan ter zake van mishandeling gericht tegen jonge kinderen gepleegd door werkneemster tussen 6 februari 2020 en 2 maart 2020. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster primair te ontbinden op grond van (ernstig) verwijtbaar handelen, subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsrelatie en meer subsidiair op grond van een combinatie van de hiervoor genoemde gronden. Werkneemster verzoekt bij wijze van tegenverzoek onder meer de arbeidsovereenkomst te ontbinden en werkgever te veroordelen tot betaling aan haar van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel, gelet op de gemotiveerde betwisting door werkneemster, dat het niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van de zijde van werkneemster. Om dit vast te stellen dient diepgaand onderzoek naar de feiten plaats te vinden. Dit laatste leent zich niet in het kader van deze procedure. Dit betekent dat thans niet kan worden aangenomen dat werkneemster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is wel sprake van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Ook werkneemster is het eens met het standpunt van werkgever dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en zij verzoekt ook op die grond ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werkneemster stelt dat een beëindiging van de arbeidsovereenkomst grote gevolgen zal hebben voor haar. Dit valt in de visie van werkneemster werkgever te verwijten en werkneemster maakt om die reden aanspraak op een billijke vergoeding van € 50.000. De kantonrechter ziet echter onvoldoende aanleiding om aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen. Werkneemster verwijt werkgever dat hij – kort gezegd – niet getracht heeft een redelijke oplossing te onderzoeken. De kantonrechter verwerpt het betoog. Op grond van meldingen en verklaringen van vier collega’s van werkneemster bestond een vermoeden van kindermishandeling. Werkgever diende hoe dan ook het stappenplan van de Meldcode te volgen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkgever op zorgvuldige wijze deze situatie volgens het stappenplan van de Meldcode aangepakt. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van werkgever zal toewijzen op grond van een verstoorde arbeidsrelatie. Ter zitting heeft werkneemster zich niet verzet tegen de door werkgever berekende wettelijke transitievergoeding ad € 2.155,80 bruto, waardoor de verzochte transitievergoeding ter hoogte van dit bedrag zal worden toegewezen.