Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 23 juni 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:4815
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2018 bij Highcare in dienst getreden als ambulanceverpleegkundige op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werknemer is door Highcare onder meer te werk gesteld bij Kijlstra Ambulancegroep Fryslan te Drachten (hierna: Kijlstra). In de arbeidsovereenkomst is een relatie- en concurrentiebeding opgenomen. Werknemer heeft met een brief van 27 januari 2020 zijn arbeidsovereenkomst met Highcare opgezegd tegen 1 maart 2020. De advocaat van Highcare heeft werknemer gewezen op zijn concurrentie- en relatiebeding en hem aangegeven dat hij niet in dienst mag treden bij TMI. Werknemer is met ingang van 2 maart 2020 in dienst getreden bij TMI. Hij wordt onder meer te werk gesteld bij Kijlstra. Werknemer overtreedt hiermee het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding. De voorzieningenrechter heeft werknemer onder meer geboden om zijn werkzaamheden voor TMI met onmiddellijke ingang te staken. Werknemer is van dit oordeel in hoger beroep gekomen.
Oordeel
Wat betreft de belangen van Highcare geldt dat zij heeft aangevoerd dat gespecialiseerd personeel op het terrein van ambulancezorg een belangrijk deel van haar bedrijfsdebiet is. Volgens Highcare heeft zij daardoor een redelijk belang om te voorkomen dat dit personeel in dienst treedt bij een directe concurrent en al helemaal omdat in Noord-Nederland zowel het aantal opdrachtgevers als het aantal aanbieders van ambulancepersoneel beperkt is. Volgens Highcare is het haar toegestaan om via het concurrentiebeding precedentwerking tegen te gaan om daarmee te voorkomen dat haar bedrijfsdebiet wordt weggekaapt door TMI en haar allocatiefunctie wordt uitgehold. Het hof verwerpt dit betoog. Het binden van personeel maakt op zichzelf geen onderdeel uit van het met een concurrentiebeding te beschermen belang van de werkgever en kan dan ook in de hier aan de orde zijnde belangenafweging niet in relevante mate ten gunste van Highcare wegen. Werknemer is – zo is onomstreden – als ambulanceverpleegkundige uitvoerend werkzaam en niet betrokken bij commerciële contacten van Highcare met haar opdrachtgevers. Het enkele feit dat werknemer bij een concurrent van Highcare in dienst treedt, is geen door het concurrentiebeding te beschermen belang. Dat wordt niet anders indien in aanmerking wordt genomen dat zowel Highcare als TMI een onderneming drijft gericht op het detacheren van werknemers bij opdrachtgevers. Ook in die situatie geldt immers het beoordelingskader van artikel 7:653 BW. De stelling van Highcare dat haar personeel haar bedrijfsdebiet vormt, kan in zoverre in zijn algemeenheid niet worden gevolgd. Voorts valt vooralsnog niet in te zien dat de allocatiefunctie van Highcare geraakt zou worden door de indiensttreding van werknemer als ex-werknemer bij een concurrent als TMI. Wat betreft de belangen van werknemer geldt dat hij een duidelijk belang heeft vrij te zijn in de keuze van een opvolgend dienstverband. Werknemer heeft verder aangevoerd dat hij bij TMI met minder reistijd en minder reiskosten te maken zal krijgen. Het hof is van oordeel dat werknemer daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt een belang te hebben om bij TMI te werken. De belangen tegen elkaar afwegend oordeelt het hof voorshands dat het belang van werknemer om van de werking van het concurrentiebeding ontheven te worden, groter is dan het belang van Highcare bij handhaving daarvan, en dat werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Dit betekent dat het hof, anders dan de voorzieningenrechter, oordeelt dat het voorlopig voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter aan het concurrentiebeding zijn werking zal ontnemen. Het is daarbij naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd om daarop in dit kort geding vooruit te lopen. Het hof zal daarom alsnog de door Highcare gevorderde voorziening afwijzen en de door werknemer gevorderde voorziening tot schorsing van het concurrentiebeding toewijzen.