Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Rook Multi-Onderhoud B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 juni 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:5616
Eindvonnis na bewijslevering door middel van getuigenverhoren in een geschil over gemaakte afspraken over verhoogd uurloon. Vorderingen van werknemer gedeeltelijk toegewezen.

Feiten

De kantonrechter heeft het getuigenverhoor aan de zijde van beide partijen bepaald op 1 juli 2019. Namens Rook Multi-Onderhoud B.V. (hierna: RMO) is een getuige gehoord. Werknemer heeft zelf getuigd, maar hij had bijstand van een onafhankelijke tolk in de Turkse taal nodig. Het getuigenverhoor is daarom voortgezet op 28 augustus 2019. Vervolgens heeft de kantonrechter de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

Oordeel

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 22 februari 2019, (verder: het tussenvonnis). Er is slechts één getuigenverklaring afgelegd en wel door een voormalig mede-eigenaar van RMO. Naast de verklaring die door deze getuige is afgelegd, heeft RMO geen ander bewijs bijgebracht. Uit de getuigenverklaring kan onvoldoende worden opgemaakt dat met werknemer is afgesproken dat het in februari 2009 verhoogde uurloon van werknemer niet geldt voor overuren. Vooropgesteld wordt dat deze getuige, blijkens zijn verklaring, niet specifiek tegen werknemer heeft gezegd dat het hogere uurloon niet gold voor overwerk. Dat het de getuige logisch leek dat werknemer het hogere uurloon kreeg voor zijn dagelijkse werkzaamheden en dat zijn verloning voor het overige bleef zoals het was, leidt niet tot de conclusie dat de gestelde afspraak met werknemer is gemaakt. Daarbij komt dat de getuige meermaals heeft aangegeven dat hij het zich allemaal niet meer goed kan herinneren. RMO heeft (op grond van een verklaring van de voormalig directeur van een klant) betoogd dat de getuigenverklaring van werknemer van 1 juli 2019 op onderdelen onjuist is. Die onderdelen zien echter niet direct op de stelling waarvan RMO de bewijslast heeft, namelijk dat partijen hebben afgesproken dat het in februari 2009 verhoogde uurloon van werknemer niet geldt voor overuren. Dat laatste kan niet worden afgeleid uit de getuigenverklaring van werknemer. In zijn verklaring als getuige verklaart werknemer immers dat hij € 16 per uur als basisloon zou gaan krijgen en dat de andere getuige tegen hem gezegd heeft dat het overwerk later zou komen. Wat er ook zij van die uitsplitsing, op dat moment was er volgens werknemer nog geen afspraak over het al dan niet toepassen van een hoger uurloon voor het overwerk. Hetgeen RMO heeft aangevoerd in dit kader kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden dan dat zij niet geslaagd is in de bewijslevering. Hierop volgend bespreekt de kantonrechter de vorderingen afzonderlijk. Het achterstallig salaris, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, over de overuren in de periode juli 2012 tot juli 2017 zal worden toegewezen. Verder wordt RMO veroordeeld om aan de hand van de salarisstrook over januari 2014 te berekenen welk bedrag zij te weinig heeft betaald aan overwerkuren. RMO is over het bedrag aan te weinig betaald salaris over de maand januari 2014 eveneens 8% vakantiegeld verschuldigd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van belastingschade doordat hij wegens nabetaling van het salaris ineens veel meer belasting over dit salaris is verschuldigd. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van zijn stelling wordt dit gedeelte van de vordering van werknemer afgewezen.