Rechtspraak
Feiten
Werknemer is per 1 juni 2018 in dienst getreden van werkgever als horecamedewerker, waarna partijen op 1 december 2019 een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden op oproepbasis hebben gesloten, derhalve eindigend op 1 december 2020. Het brutosalaris bedraagt € 10,65 per uur. Op 26 januari 2020 heeft werknemer een aanvaring gehad met een collega op de werkvloer. Op 16 maart 2020 is werkgever gesloten vanwege de coronacrisis. Tussen 26 januari 2020 en 16 maart 2020 heeft werknemer nog één dag voor werkgever gewerkt. Op 25 maart 2020 heeft werknemer telefonisch aan werkgever verzocht om hem met terugwerkende kracht vanaf 27 januari 2020 ziek te melden, waarop werkgever aan zijn boekhouder per e-mail verzocht heeft of dat kan. Bij brief van 24 april 2020 heeft de gemachtigde van werknemer aan werkgever te kennen gegeven dat de aanvraag van werknemer voor een bijstandsuitkering was afgewezen omdat hij nog tot 1 december 2020 een arbeidsovereenkomst met werkgever heeft. Tevens is in die brief jegens werkgever aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon vanaf februari 2020, uitgaande van een gemiddelde arbeidsomvang van 62 uur per maand (referteperiode november 2019, december 2019 en januari 2020). Werknemer vordert de veroordeling van werkgever tot betaling van het loon tijdens ziekte over februari 2020 tot en met mei 2020, te weten in totaal € 2.641,20, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.
Oordeel
De vordering staat of valt met de vaststelling of werknemer zich al dan niet op 27 januari 2020 ziek gemeld heeft. Daarvoor biedt het dossier echter eenvoudigweg geen enkel aanknopingspunt. Zijn stelling dat hij op 17 februari 2020 een operatie heeft ondergaan aan zijn hand wordt niet betwist door werkgever zodat daarvan zal worden uitgegaan. Uit niets blijkt echter dat werknemer ná dan wel vanwege die operatie – en laat staan reeds eerder – wegens ziekte ongeschikt was om de overeengekomen arbeid te verrichten, noch dat werknemer eerder dan op 25 maart 2020 dat standpunt jegens werkgever heeft ingenomen. Integendeel, uit de eigen stellingen van werknemer volgt reeds dat hij in de tussenliggende periode – en wel na de operatie – nog een dag is komen werken en dat enige ziekte daaraan klaarblijkelijk niet in de weg heeft gestaan. De vordering kan reeds daarom dan ook niet slagen.