Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 10 juni 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:5446
Feiten
Werknemer is sinds 25 juni 2001 in dienst bij de Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën) (hier: de Staat), laatstelijk in de functie van behandelfunctionaris. Werknemer is bij de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, wegens deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van opzettelijke uitlokking van poging tot afpersing, medeplegen van schending van het ambtsgeheim. Tegen de straf heeft werknemer hoger beroep ingesteld. De Staat verzoekt primair de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op de e-grond. Werknemer heeft aangegeven geen verweer te zullen voeren.
Oordeel
De Staat voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen. Werknemer zou informatie uit de systemen gebruikt hebben en die doorgespeeld hebben aan criminelen voor de smokkel van verdovende middelen. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door de Staat in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW. Daartoe wordt het volgende overwogen. Het door werknemer niet weersproken handelen is voldoende om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, mede omdat het strafbaar handelen van werknemer samenhangt met zijn werkzaamheden. De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn in de rede ligt. Daarbij is het volgende van belang. Werknemer is in eerste aanleg veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor onder andere deelname aan een criminele organisatie. Het kan niet van de Staat worden verlangd, gezien werknemers handelen, mocht hij toch op korte termijn vrijkomen, hem ergens anders te werk te stellen. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de Staat zal toewijzen.