Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 30 januari 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:2497
Monteur die samen met collega materialen van werkgever heeft verduisterd, om deze vervolgens door te sluizen naar de onderneming van zijn broers, die een vergelijkbare onderneming waren begonnen, is terecht op staande voet ontslagen.

Feiten

Werknemer is op 10 juli 2018 in dienst getreden van werkgeefster in de functie van monteur, eerst voor drie maanden. Per 11 oktober 2018 is de arbeidsovereenkomst verlengd met een jaar. Op 26 augustus 2019 is werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij spullen zou hebben verduisterd. Gelijktijdig met werknemer is ook collega B op staande voet ontslagen. De procedure voor B is tegelijk met deze procedure behandeld en beslist. Werknemer verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet en subsidiair toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding voor onregelmatige opzegging.

Oordeel

De kantonrechter komt tot de conclusie dat werknemer terecht op staande voet is ontslagen en licht dit als volgt toe. De taak van werknemer was vooral het op- en afbouwen van tenten op festivallocaties. Volgens werkgeefster heeft werknemer, samen met B, in ieder geval gedurende de zomer van 2019 kleine op- en afbouwmaterialen van werkgeefster verduisterd en die vervolgens doorgesluisd naar de onderneming van zijn broers, die kort daarvoor een vergelijkbare onderneming waren begonnen. De bestuurder van werkgeefster, de heer A, heeft van een medewerker gehoord van de hiervoor bedoelde handelwijze van B en werknemer. A heeft begin augustus 2019 daarop vastgesteld dat spullen van werkgeefster zich in de auto van B bevonden. Werkgeefster heeft hiervan foto’s overgelegd. De week na het nemen van de foto’s heeft de medewerker een gesprek gevoerd met werknemer, dat hij met zijn telefoon heeft opgenomen. Uit dit gesprek blijkt een link tussen de spullen van werkgeefster in de auto van B en de broer van werknemer. Enkele weken later, na het gesprek, meldt de medewerker aan werkgeefster dat de spullen uit de auto van B zijn verdwenen. De stand van zaken is dus dat er spullen van werkgeefster in de auto van B lagen, dat werknemer dat weet, dat werknemer het in eerdergenoemd gesprek heeft over het verplaatsen van die spullen naar zijn broer en dat die spullen niet terugkeren bij werkgeefster. De voor de hand liggende conclusie is dat werknemer die spullen inderdaad heeft verduisterd. Die conclusie wordt concreet door de overgelegde verklaring van de medewerker. Hij verklaart dat werknemer en B tegen hem hebben gezegd dat zij spullen van werkgeefster doorsluisden naar de onderneming van de broers van werknemer. De kantonrechter acht die verklaring geloofwaardig. Al met al is daarmee de dringende reden voor ontslag op staande voet komen vast te staan. Voorts is het ontslag naar het oordeel van de kantonrechter onverwijld gegeven. Werkgeefster kreeg op 23 augustus 2019 voldoende zekerheid over het handelen van werknemer. Door op de eerste werkdag daarna het ontslag in te zetten, heeft werkgeefster voldoende voortvarend gehandeld. Het ontslag op staande voet blijft in stand. De verzoeken van werknemer worden afgewezen.