Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 13 juli 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:5073
Feiten
Tussen Intrak Voerendaal B.V. (hierna: Intrak) en werknemer is op 19 september 2016 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Werknemer heeft op 1 april 2018 een eenmanszaak opgericht. Werknemer heeft op enig moment zijn arbeidsovereenkomst met Intrak opgezegd. Intrak heeft werknemer bij brief van 2 april 2020 gesommeerd om (concurrerende) werkzaamheden die in strijd zijn met artikel 12 van de arbeidsovereenkomst te staken en om de volgens Intrak verbeurde boetes van € 312.500 te betalen aan Intrak. Intrak vordert onder meer gedaagde te veroordelen tot nakoming van het concurrentie- en relatiebeding.
Oordeel
De betwisting door werknemer dat hij bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst op 19 september 2016 geen concurrentie- en relatiebeding met Intrak is overeengekomen treft geen doel. Dat in het exemplaar dat Intrak bij dagvaarding heeft overgelegd het concurrentie- en relatiebeding zijn ingevoegd c.q. er stukken van de oude arbeidsovereenkomst zijn tussengevoegd is, zonder nadere onderbouwing, te summier. Intrak heeft voldoende aannemelijk en inzichtelijk gemaakt dat in een bodemprocedure ook wordt geoordeeld dat partijen bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst op 19 september 2016 concurrentie,- relatie- en boetebedingen zijn overeengekomen. Gelet op het overwogene en op de stellingen van werknemer met name ten aanzien van de verrichte werkzaamheden voor de vermelde bedrijven en ten aanzien van zijn verwijzing naar de door hem gegenereerde omzet van Mondo Verde en de Gemeente Kerkrade, staat genoegzaam vast dat werknemer in strijd met het concurrentie- en relatiebeding heeft gehandeld en stelselmatig en duurzaam het debiet van Intrak heeft aangetast. Het lag op de weg van werknemer om de klanten van Intrak te weren en die klanten ook niet actief te benaderen. In het verlengde daarvan is werknemer op grond van artikel 13 van de arbeidsovereenkomst de overeengekomen boetes verschuldigd. Of en in hoeverre er over het concurrentie- en relatiebeding tijdens het exitgesprek is gesproken kan in het midden blijven. Het beroep van werknemer op rechtsverwerking slaagt niet. Voor rechtsverwerking is enkel een tijdsverloop niet voldoende; er moeten ook bijzondere omstandigheden zijn waardoor bij werknemer het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Intrak haar aanspraak niet (meer) geldend zal maken, of waardoor de positie van werknemer onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als Intrak haar aanspraak alsnog geldend zou maken. Intrak heeft zich niet gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Intrak vordert vanaf 1 juni 2019 tot en met 5 juni 2020 € 376.500 aan verbeurde boetes. Rekening houdend met het feit dat de inhoudelijke discussie over het tijdsbestek en de duur waarbinnen werknemer in strijd met het concurrentie- en relatiebeding heeft gehandeld zich niet voor eenvoudige beoordeling in kort geding leent, zal de kantonrechter een voorschot op de gevorderde boete toekennen en dit vaststellen op € 100.000. De stelling van werknemer dat hij hierdoor failliet dreigt te gaan levert geen grond voor toewijzing van de gevorderde schorsing of matiging van de boetes ter zake van het concurrentie- en het relatiebeding.