Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23 juli 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:2952
Einde van rechtswege arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Werkgever is de transitie- en aanzegvergoeding verschuldigd. Verrekening vakantiedagen met loonbetaling niet toegestaan.

Feiten

Werknemer is sinds 1 april 2019 in dienst als senior adviseur. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd t/m 1 april 2020. Per 1 oktober is het dienstverband van werknemer overgenomen door werkgeefster. Werkgeefster heeft werknemer op 9 maart 2020 per e-mail gevraagd de vakantiedagen die hij nog heeft, op te nemen en door te geven hoeveel werkdagen hij nog heeft. Op die dag stuurt werkgeefster eveneens een e-mail aan collega’s, waarin onder meer staat dat zij het contract met werknemer niet verlengt. Vervolgens heeft vanaf 27 maart 2020 tussen werknemer en werkgeefster een e-mailwisseling plaatsgevonden over de wijze waarop zij uit elkaar zullen gaan. Werknemer heeft in april 2020 nog gewerkt aan het afronden van een lopend project bij werkgeefster en werkgeefster heeft op 23 april 2020 de helft van het salaris voor maart 2020 betaald. In deze procedure verzoekt werknemer betaling van de transitievergoeding, de aanzegboete en de resterende helft van het salaris over maart 2020.

Oordeel

Beëindigingsovereenkomst

De arbeidsovereenkomst is op 1 april 2020 van rechtswege geëindigd. Werknemer betwist dat een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat uit de overgelegde e-mailwisseling tussen partijen blijkt dat de afspraken over de wijze waarop partijen na 1 april 2020 uit elkaar gaan, in een vergevorderd stadium waren, maar dat op 1 april 2020 geen overeenstemming werd bereikt. Werknemer heeft immers niet ingestemd met de verrekening van zijn vakantiedagen. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 april 2020 van rechtswege is geëindigd, zonder latere overeenkomst over het afzien van een transitievergoeding, de aanzegvergoeding en verrekening van loon met vakantiedagen.

Transitievergoeding

De kantonrechter stelt vast dat werkgeefster op 9 maart 2020 in een e-mail aan collega’s en als kopie aan werknemer, onder meer heeft meegedeeld dat het contract met werknemer niet wordt verlengd. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze mededeling blijkt dat werkgeefster het initiatief heeft genomen om de arbeidsovereenkomst na 1 april 2020 niet voort te zetten. De omstandigheid dat werknemer een voorstel heeft gedaan tot samenwerking na deze datum, maakt dit niet anders. Het voorgaande betekent dat werkgeefster een transitievergoeding is verschuldigd.

Aanzegvergoeding

Gelet op de mededeling van werkgeefster op 9 maart 2020 per e-mail aan werknemer in kopie dat zij het contract niet verlengt, is de kantonrechter van oordeel dat werkgeefster haar aanzegverplichting wel is nagekomen, maar dat zij dit niet tijdig heeft gedaan. Werkgeefster had werknemer uiterlijk 1 maart 2020 moeten informeren over het voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Werkgeefster is daarom naar rato van deze vertraging, acht dagen, het loon over één maand verschuldigd. Dit is een bedrag van (8/31 dagen x € 5.653,80=) € 1.459,04 bruto.

Verrekening vakantiedagen met salaris

Werkgeefster voert het verweer dat zij voor te veel genoten vakantiedagen negen dagen met de loonbetaling over maart mag verrekenen. De kantonrechter oordeelt echter dat dit verweer niet slaagt en overweegt daartoe het volgende. Nu onvoldoende duidelijk is komen vast te staan dat meer dan het overeengekomen aantal vakantiedagen is opgenomen, is werkgeefster niet bevoegd tot verrekenen. Verder staat wel vast dat werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst in april nog heeft gewerkt aan de afronding van een project voor werkgeefster. De stelling van werkgeefster dat dit niet deugdelijk is verricht, doet hier niet aan af. Het achterstallige loon over de maand maart 2020 van € 3.053,05 bruto zal daarom worden toegewezen.