Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Staat
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 30 juli 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:5627
Onregelmatigheden bij declaraties op verzoek van leidinggevende kunnen niet aan werknemer worden toegerekend. Geen e-grond. Geen g-grond. Terugvordering gefraudeerd bedrag is geen samenhangende vordering ex artikel 7:686a lid 3 BW.

Feiten

Werknemer is sinds 2007 in dienst van de Penitentiaire Inrichting Zuidoost te Roermond. In het najaar van 2019 heeft binnen de PI een onderzoek plaatsgevonden naar mogelijk onterecht ingediende reisdeclaraties. Tijdens dit onderzoek is de persoon van werknemer naar voren gekomen en op basis hiervan is een disciplinair onderzoek gestart. Uit dit onderzoek volgt dat de voormalige leidinggevende (met een drugsverslaving) ondergeschikten onder druk zette om ‘nepdeclaraties’ in te dienen en het geld vervolgens in ‘cash’ uit te keren. De Staat verzoekt thans ontbinding op de e- en g-grond alsmede terugbetaling van het ontvreemde geld. 

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. 

E-grond: niet verwijtbaar gedrag wetens ontbreken toerekening

De kantonrechter acht bij de te maken beoordeling van belang dat door de Staat niet weersproken is dat de leidinggevende een discutabele rol innam daar waar het gaat om declaraties. Door de Staat is in deze zaak echter geen onderzoek gedaan naar de rol van de leidinggevende met betrekking tot de declaraties, terwijl wel vaststaat dat de leidinggevende die declaraties heeft gefiatteerd. De Staat stelt zich op het standpunt dat het goedkeuren van de declaraties door de leidinggevende niet wegneemt dat de declaraties onjuist zijn en daardoor verwijtbaar is gehandeld. De kantonrechter deelt dit standpunt niet met de Staat. Juist in een situatie waar voor de werknemer duidelijk is of moet zijn dat een handelwijze voor een werkgever ontoelaatbaar is en de werknemer desondanks zijn handelwijze continueert, is sprake van verwijtbaar handelen of nalaten. In het geval als het onderhavige, waarbij een leidinggevende een bepaalde foutieve handelwijze zelf voorstelt, is het maar de vraag in welke mate men een werknemer hiervan een verwijt kan maken. Deze leidinggevende valt immers tot op grote hoogte te vereenzelvigen met het begrip werkgever. Als een leidinggevende een afwijkende werkwijze voorstelt en ook fiatteert, kan en mag een ondergeschikte er redelijkerwijs van uitgaan dat dit door de werkgever akkoord bevonden wordt. De vereiste verwijtbaarheid komt hierdoor in verregaande mate aan het handelen te ontvallen.

G-grond: geen duurzame verstoring

De kantonrechter begrijpt dat werknemer, vanwege de omstandigheid dat hij geen duidelijke en zeer concrete verklaring heeft kunnen geven voor de ingediende reisdeclaraties, de schijn tegen zich heeft en dat hierdoor een gebrek aan vertrouwen ontstaat. De Staat mag echter niet uit het oog verliezen dat in deze zaak een sleutelrol is vervuld door de voormalige leidinggevende. Als leidinggevende ben je onlosmakelijk verbonden met het begrip werkgever en is er sprake van een zekere mate van autoriteit. Dit miskent de Staat.
Niet valt in te zien dat indien de Staat zich daartoe zou inspannen, normalisatie van de arbeidsverhoudingen niet in de rede zou liggen. 

Geen samenhangende vordering 686a 

In het onderhavige geval is geen sprake van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ook indien hiervan wel sprake zou zijn, dan nog kan de Staat niet worden ontvangen in zijn verzoek. De Staat vordert namelijk betaling van € 2.169,37 ter zake de onverschuldigd betaalde reisdeclaraties c.q. schade voor ten onrechte betaalde reisdeclaraties. Dit betreft derhalve geen vordering die verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst. De grondslag van die vordering vloeit niet voort uit de arbeidsovereenkomst maar uit onrechtmatige daad, dan wel onverschuldigde betaling. Het gegeven dat de onterechte reisdeclaraties aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, betekent niet dat de betreffende (aansprakelijkheids)vorderingen daarmee (voldoende) verband houden.