Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 9 september 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:6847
Feiten
Werknemer is op 8 februari 2019 bij P. Jong Export en Groothandel van Bloemen B.V. (hierna: Jong) in dienst getreden in de functie van productiemedewerker A. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 25 mei 2019. In geval van ziekte bestaat er volgens de arbeidsovereenkomst onder meer aanspraak op 90% van het overeengekomen loon. Op 5 maart 2019 is werknemer bij de bedrijfsarts geweest. In het verslag van de bedrijfsarts staat onder meer dat werknemer vanaf 11 maart weer volledige werkuren kan werken. Op 12 maart 2019 is werknemer weer bij de bedrijfsarts geweest. In het verslag van de bedrijfsarts staat onder meer dat volledige werkhervatting vanaf 20 maart pas weer mogelijk is. Op 20 maart 2019 is werknemer niet verschenen op het werk. Bij brief van 20 maart 2019 heeft werknemer een officiële waarschuwing ontvangen wegens het niet meewerken aan de re-integratieverplichtingen. Jong heeft tevens medegedeeld het loon te zullen staken, indien werknemer op 21 maart 2019 niet verschijnt op het werk. Op 26 maart 2019 hebben partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten. Bij e-mail van 5 april 2019 heeft werknemer de ontbinding daarvan ingeroepen. Bij brief van 5 april 2019 is werknemer opgeroepen om de werkzaamheden te hervatten per 8 april 2019. In de brief staat verder dat Jong betaling van het loon zal staken, indien werknemer niet verschijnt. Op 12 april 2019 is werknemer bij de bedrijfsarts geweest. In het verslag van de bedrijfsarts van 15 april 2019 staat onder meer dat er geen objectieve beperking is vast te stellen waarom werknemer niet in ten minste passend ander werk of aangepast eigen werk kan hervatten. Op 6 mei 2019 heeft werknemer een adviserend geneeskundig arts van het UWV gesproken. Werknemer vordert dat de kantonrechter Jong veroordeelt tot betaling van € 6.043,14 aan achterstallig salaris over de periode van 21 maart 2019 tot en met 25 maart 2019 en van 30 maart 2019 tot en met 25 mei 2019.
Oordeel
Niet-ontvankelijkheid
Ten aanzien van het verweer dat werknemer niet-ontvankelijk in de vordering is omdat hij heeft nagelaten een verklaring van een deskundige over te leggen ex artikel 7:629a BW, overweegt de kantonrechter als volgt. In onderhavige zaak heeft werknemer een recente rapportage van de adviserend geneeskundig arts van het UWV in het geding gebracht en daarom kan naar het oordeel van de kantonrechter niet van hem in redelijkheid gevergd worden dat hij ook nog een separaat deskundigenoordeel overlegt. Dit betekent dat werknemer ontvankelijk is in zijn vordering dan wel dat deze vordering niet bij voorbaat moet worden afgewezen.
Loonvordering
Gelet op voornoemde adviezen van de bedrijfsarts, waar de kantonrechter het mee moet doen nu een recent deskundigenoordeel ontbreekt, komt de kantonrechter tot het oordeel dat het door werknemer overgelegde ‘Advies Consult Plausibiliteit Zw’ van 8 mei 2019 onvoldoende is om de loonvordering van werknemer toe te wijzen. Bovengenoemd advies heeft zich gericht op de maatgevende functie van bloembollensorteerder bij werkgever Hulst voor 55 uur per week, verspreid over 6 dagen. Vast staat evenwel dat werknemer bij Jong werkte als productiemedewerker A voor 40 uur per week. Daarnaast volgt uit het advies dat werknemer geschikt is voor re-integratie en rugsparende arbeid. Het bovenstaande betekent dat Jong bevoegd was het loon over de periode van 21 maart 2019 tot en met 25 maart 2019 en van 30 maart 2019 tot en met 25 mei 2019 op te schorten. De niet-betaling van het loon is niet toe te rekenen aan Jong. Nu werknemer immers zonder goede grond heeft geweigerd met ingang van 21 maart 2019 en met ingang van 30 maart 2019 te hervatten in (aangepaste) werkzaamheden, is er geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat de werknemer geen recht heeft op loon gedurende de tijd dat hij geen werkzaamheden heeft verricht. Het voorgaande betekent dat de loonvordering van werknemer wordt afgewezen.