Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29 september 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:2559
Feiten
Werknemer is vanaf 1 juni 1980 in dienst geweest bij (de rechtsvoorgangers van) Verzekerings Unie B.V. (hierna: VU) in de functie van adviseur. Partijen hebben begin 2012 een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 april 2012. VU heeft op 2 april 2012 bij de ondernemingsraad een adviesaanvraag ingediend in verband met de voorgenomen beëindiging van haar bedrijfsactiviteiten, waarbij op alle adviseurs een beëindigingsregeling van toepassing werd verklaard, onder meer inhoudende een beëindigingsvergoeding volgens de oude kantonrechtersformule met correctiefactor 1. De ondernemingsraad heeft positief geadviseerd. Aan werknemer is geen beëindigingsvergoeding aangeboden. In deze procedure vordert werknemer de gevolgen van de beëindigingsovereenkomst te wijzigen door aan hem een beëindigingsvergoeding van € 129.963 toe te kennen. De kantonrechter heeft het beroep van werknemer op dwaling gehonoreerd en VU veroordeeld tot betaling van de gevorderde beëindigingsvergoeding. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd, de vorderingen van werknemer afgewezen en hem veroordeeld tot terugbetaling van de vergoeding. Het hof heeft zijn arrest gewezen na een comparitie van partijen, die was gelast voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling, en die is gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Werknemer is voor het eindarrest van het hof overleden. De gezamenlijke erfgenamen van werknemer hebben cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd omdat dat arrest door de meervoudige kamer van het hof is gewezen, terwijl een comparitie van partijen voor een raadsheer-commissaris heeft plaatsgevonden en niet de mededeling is gedaan dat partijen kunnen verzoeken om een behandeling voor een meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Het geding is verwezen naar het Hof Amsterdam tot verdere behandeling en beslissing.
Oordeel
Tussen partijen staat vast dat werknemer ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst bijna 32 jaar bij VU in dienst was en ouder was dan 50 jaar, dat hij geen (reële) vooruitzichten had op een andere baan, dat de verhouding tussen partijen vanaf medio 2010, in ieder geval in de beleving van werknemer , verre van optimaal was, dat werknemer in augustus 2011 een ontbindingsverzoek op grond van artikel 7:685 BW (oud) heeft ingediend waarin hij op basis van C=1 een vergoeding van € 122.298,63 bruto heeft verzocht, dat de kantonrechter bij beschikking van 26 oktober 2011 partijen in kennis heeft gesteld van het voornemen om de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden met ingang van 1 januari 2012, zonder toekenning van een vergoeding aan werknemer ten laste van VU en dat werknemer vervolgens zijn verzoek heeft ingetrokken. Het moge zo zijn dat het initiatief voor het sluiten van de beëindigingsovereenkomst vervolgens van werknemer is uitgegaan, tegen de achtergrond van de zojuist geschetste feiten bracht de zorgvuldigheid die VU als werkgever tegenover haar werknemer, met wie een overeenkomst ter beëindiging van een langdurig dienstverband zou worden gesloten, in acht behoorde te nemen mee, dat VU zich de gerechtvaardigde belangen van werknemer aantrok en haar best deed te voorkomen dat werknemer zijn wil tot het sluiten van de beëindigingsovereenkomst zou bepalen op basis van onvolledige informatie, in het bijzonder met betrekking tot de nabije toekomst van VU, althans van de buitendienst waartoe hij behoorde. Hierbij klemt dat werknemer nog in augustus 2011 om een ontbindingsvergoeding op basis van C=1 had verzocht en de te sluiten beëindigingsovereenkomst in geen enkele beëindigingsvergoeding voorzag. Als zou moeten worden geoordeeld dat het VU in verband met het feit dat zij de ondernemingsraad nog niet om advies had gevraagd niet vrijstond werknemer mee te delen dat de buitendienst zou worden afgestoten en dat de daartoe behorende werknemers zouden moeten afvloeien (in welk geval het hun toekennen van een beëindigingsvergoeding in de rede lag), dan had zij werknemer ten minste in overweging moeten geven om vanwege toekomstige ontwikkelingen binnen VU, waarover zij hem thans nog geen mededelingen kon doen, op dit moment af te zien van het sluiten van een beëindigingsovereenkomst. Ook dat heeft VU echter niet gedaan. Op grond van al het voorgaande is het oordeel van het hof dat de kantonrechter terecht werknemer geslaagd heeft geacht in diens bewijslevering en evenzeer terecht het door werknemer gedane beroep op dwaling heeft gehonoreerd.