Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 november 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:3023
Feiten
Werknemer is in 2000 in dienst getreden van werkgever en heeft sinds 1 mei 2001 deelgenomen aan de pensioenregeling van werkgever. De pensioenovereenkomst tussen werknemer en werkgever is nader uitgewerkt in het Pensioenreglement van werkgever (verder: het pensioenreglement of het reglement) en de ter uitvoering daarvan door werkgever met Zwitserleven gesloten collectieve pensioenverzekeringsovereenkomst. Werknemer is met ingang van 1 maart 2003 arbeidsongeschikt geworden en de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer is per 1 mei 2003 ontbonden. Werkgever heeft Zwitserleven op 20 mei 2003 op de hoogte gesteld van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het UWV heeft werknemer per 2 maart 2004 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, die per 2 maart 2006 werd omgezet in een vervolguitkering. Aangezien de vervolguitkering lager is dan de loondervingsuitkering, ontstond voor werknemer per 2 maart 2006 een WAO-hiaat. Bij brief van 17 maart 2006 heeft werknemer Zwitserleven verzocht hem een uitkering uit hoofde van de WAO-hiaatverzekering toe te kennen. Dit verzoek is door Zwitserleven geweigerd. In eerste aanleg heeft werknemer een verklaring voor recht verzocht dat hij recht heeft op een WAO-hiaatverzekeringsuitkering en betaling hiervan gevorderd. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen en hiertegen richt werknemer zich in het hoger beroep.
Oordeel
De onderhavige verzekering betreft een C-polis van de per 1 januari 2007 vervallen Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW), waarbij rechtstreeks een overeenkomst tussen werknemer en Zwitserleven tot stand is gekomen, met werknemer als verzekerde en begunstigde. Om die reden zal het hof, zoals werknemer wenst, de tussen partijen met ingang van 1 mei 2001 gesloten verzekering tot uitgangspunt voor de beoordeling nemen. Werknemer stelt dat hij voldoet aan de in de polis omschreven voorwaarden om de polis premievrij te doen zijn en voor een arbeidsongeschiktheidspensioen ter grootte van het WAO-hiaat (hierna: WAO-hiaatpensioen) in aanmerking te komen. Het hof kan hierin niet met werknemer meegaan omdat de omschrijving in de polis niet kan worden geabstraheerd van de op de verzekering van toepassing zijnde voorwaarden. In dit verband wijst het hof op de Algemene Verzekeringsvoorwaarden BVB oktober 1999 (hierna: AV BVB) en de Aanvullende Voorwaarden AOU7 oktober 1999 (hierna: AOU7). Uit een en ander volgt dat werknemer op de grondslag van de door hem met Zwitserleven gesloten verzekeringsovereenkomst geen aanspraak kan maken op enige WAO-hiaatuitkering na 1 mei 2003 (en tot 1 mei 2019). De in appèl door werknemer op grond van de verzekeringsovereenkomst gepretendeerde aanspraak op premievrije opbouw van het ouderdomspensioen vanaf 1 maart 2003 (tot 1 mei 2015), stuit reeds af op het bepaalde in artikel 9 AOU7, bezien in verband met artikel 1 AOU7. Deze bepalingen kunnen bovendien eveneens aan voormelde beslissing met betrekking tot het WAO-hiaatpensioen ten grondslag worden gelegd. Onjuist is de stelling van werknemer dat de verzekering, als deze al per 1 mei 2003 zou zijn geëindigd, is voortgezet op de grond dat Zwitserleven werknemer geen polis heeft afgegeven waarop dat is vermeld. Het argument van werknemer dat hij tijdens het dienstverband al arbeidsongeschikt is geworden en daarom recht zou hebben op een WAO-hiaatverzekeringsuitkering gaat niet op, omdat hij op het moment van uitdiensttreding niet aan de voorwaarden van het pensioenreglement voldeed. Werknemer kreeg op 2 maart 2006 een WAO-vervolguitkering en op dat moment was hij al bijna 3 jaar lang geen deelnemer in de pensioenregeling, terwijl dit volgens artikel 9 wel een vereiste is. Derhalve heeft te gelden dat werknemer toen hij nog deelnemer was (dus van 1 mei 2001 tot 1 mei 2003) geen recht op een WAO-uitkering had en dat hij, toen hij (wel) recht had op een WAO-uitkering, geen deelnemer meer was. Uit al het voorgaande volgt dat de door werknemer in appèl gevorderde verklaringen voor recht niet toewijsbaar zijn, ongeacht of deze worden beoordeeld op basis van de tussen hem en Zwitserleven gesloten verzekeringsovereenkomst dan wel het pensioenreglement.