Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 4 november 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:8553
Feiten
Werknemer is op 5 januari 2009 bij Vita Natura B.V. in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van leidinggevende callcenter. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een concurrentie-, geheimhoudings- en boetebeding opgenomen. Bij brief van 5 maart 2020 is werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer heeft het ontslag aangevochten. Bij beschikking van 2 juli 2020 heeft de kantonrechter van deze rechtbank het ontslag op staande voet in stand gehouden. Tegen deze beslissing is werknemer in hoger beroep gegaan, welke procedure thans nog loopt. Bij verzoekschrift van 24 augustus 2020 heeft Vita Natura verlof gevraagd van de voorzieningenrechter van deze rechtbank voor het leggen van conservatoir (bewijs)beslag ten laste van werknemer op alle documenten van een datum gelegen na 5 maart 2020 die onder meer namen bevatten van relaties van Vita Natura. Bij beschikking van 25 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzochte verlof verleend. Op 11 september 2020 is de deurwaarder, bijgestaan door een IT-specialist, tot beslaglegging op grond van de beschikking van 25 augustus 2020 overgegaan. Viva Natura vordert onder meer inzage in de inbeslaggenomen bescheiden en staking van overtreding van het concurrentiebeding.
Oordeel
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat aan de voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan. Vita Natura heeft een rechtmatig belang bij inzage in de in beslag genomen bescheiden. Zij wil de mate en omvang van de overtredingen vaststellen. Ook aan de overige vereisten van artikel 843a Rv is voldaan. Het gaat om bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij Vita Natura partij is, te weten een tussen partijen gesloten en inmiddels beëindigde arbeidsovereenkomst en een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad die Vita Natura jegens werknemer geldend kan maken. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de verlangde bescheiden niet exact behoeven te worden omschreven. Naar het oordeel van de kantonrechter moet de omschrijving van de documenten als voldoende bepaald/specifiek worden aangemerkt, in die zin dat duidelijk en concreet is aangegeven om welke bescheiden het gaat en dat deze voldoende zijn ingekaderd. De vordering tot inzage in de in beslag genomen bescheiden zal dan ook worden toegewezen. De tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst van 5 december 2011, op grond waarvan werknemer de functie van leidinggevende callcenter ging bekleden, bevat een concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding. Dat nadien sprake is geweest van een ingrijpende en niet voorzienbare functiewijziging waardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken en haar geldigheid heeft verloren omdat het bij het ingaan van de nieuwe functie niet (opnieuw) schriftelijk is overeengekomen, is in beginsel niet voetstoots vast te stellen en vergt een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden. Een bodemprocedure is daarvoor de geëigende weg. De kantonrechter overweegt echter dat, afgezien van alle stellingen en weren die door partijen in kort geding inzake dit geschil zijn ingenomen, werknemer op 26 juli 2020 een e-mailbericht aan bedrijf X heeft verstuurd, waaruit duidelijk blijkt dat werknemer doordrongen is van gebondenheid aan het concurrentiebeding. Zij ziet dan ook aanleiding om werknemer bij wijze van ordemaatregel te veroordelen om de overtredingen van het concurrentie- en relatiebeding te staken. Met betrekking tot de hoogte van de verschuldigde dwangsom ziet de kantonrechter aanleiding aansluiting te zoeken bij hetgeen partijen in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen. Vaststaat, zo volgt ook uit productie 22 bij exploot van dagvaarding, dat werknemer via Ebay Vita Natura-producten heeft verkocht met daarop het etiket en logo van Vita Natura. Werknemer zal dan ook veroordeeld worden het gebruik van de (handels)naam en/of het logo van Vita Natura te staken en gestaakt te houden.