Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 november 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:3022
Feiten
Werknemer is op 21 juni 2017 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij ABC Mortel B.V. (hierna: “ABC”), een betonmortelproducent. Werknemer is een programmeur die op het moment van indiensttreding elders werkzaam was. Nadat werknemer de arbeidsovereenkomst op 18 juli 2017 had opgezegd en deze opzegging op 27 juli 2017 weer had ingetrokken, is hij per 1 augustus 2017 weer bij ABC aan het werk gegaan. Op 26 september 2017 en 21 februari 2018 heeft ABC twee bedragen (€ 14.000 en € 12.900) naar werknemer overgemaakt. In de omschrijving van deze overgemaakte bedragen stond respectievelijk ‘lening [naam werknemer]’ en ‘lening deel 2’. Met dit geld zou werknemer vermoedelijk een schuld aan een derde hebben afgelost. Op 5 juli 2018 is de arbeidsovereenkomst opnieuw door werknemer opgezegd. ABC heeft zich hierbij neergelegd. Wel heeft ABC werknemer nadien gesommeerd de aan hem verstrekte lening terug te betalen. Omdat terugbetaling is uitgebleven, is ABC de onderhavige procedure gestart.
Oordeel eerste aanleg
In deze zaak gaat het om de vraag of ABC jegens werknemer aanspraak kan maken op een bedrag van € 23.751 in hoofdsom wegens primair een geldlening, subsidiair een onbenoemde overeenkomst en meer subsidiair onverschuldigde betaling. De kantonrechter heeft werknemer op grond van genoemde primaire grondslag veroordeeld tot betaling aan ABC van voormeld bedrag. Hiertegen komt werknemer in hoger beroep op.
Oordeel hoger beroep
Werknemer heeft tegen de door ABC gestelde geldlening in appèl aangevoerd dat ABC hem – na zijn eerste opzegging van 18 juli 2017 – heeft overgehaald voor haar te komen werken door aan te bieden zijn openstaande schuld aan een derde te betalen. Voormeld bedrag was aldus een ‘welkomstpremie’, oftewel: een bedrag voor het feit dat werknemer met zijn kennis en reeds ontwikkelde software voor ABC wilde gaan werken. Hoewel deze verklaring volgens het hof niet aanstonds aannemelijk is en door ABC is betwist, oordeelt het hof wel dat werknemer een en ander voldoende heeft gemotiveerd. Daarom rust op grond van artikel 150 Rv op ABC de bewijslast van de stelling dat zij werknemer de eerdergenoemde bedragen heeft geleend. De enkele omstandigheid dat de betalingsomschrijvingen de aanduiding ‘lening’ bevatten en werknemer daartegen niet heeft geprotesteerd, is onvoldoende. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ABC over de voorwaarden van de (mondelinge) lening slechts heeft gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de lening in vijf jaar zou worden afgeschreven. Gelet op haar bewijsaanbod wordt ABC tot bewijslevering toegelaten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.