Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 oktober 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:4695
Feiten
Werknemer, geboren in 1954, is in 1981 in dienst van de Rabobank getreden. Vanaf de datum van zijn indiensttreding heeft werknemer deelgenomen aan de verplichte collectieve basispensioenregeling bij Stichting Rabobank Pensioenfonds (hierna: RPF) waarop het Pensioenreglement Rabobank van toepassing is. Vanaf 21 september 2006 is werknemer gaan deelnemen aan de vrijwillige aanvullende individuele Flexioenpensioenregeling. De Flexioenregeling is een product van Robeco en wordt door RPF uitgevoerd. De FAQ en de Brochure 2006 zijn door Robeco opgesteld. Op 31 mei 2017 is werknemer uit dienst getreden bij de Rabobank en daarom gewezen deelnemer van het RPF geworden. RPF heeft de Flexioenrekening van werknemer op 1 december 2017 opgeheven en op dat moment pensioenaanspraken ingekocht voor werknemer. Werknemer was het hier niet mee eens en heeft hierover klachten ingediend bij RPF en de Ombudsman Pensioenen omdat hij er op basis van de Brochure 2006 van uitging dat hij de flexioenrekening na uitdiensttreding mocht behouden. Hij heeft RPF onder verwijzing naar een zienswijze van een door hem ingeschakelde pensioenadviseur aansprakelijk gesteld voor een financieel nadeel van € 66.213. RPF heeft de klacht en het daarop volgende bezwaar van werknemer afgewezen. Partijen twisten over de vraag of werknemer recht heeft op schadevergoeding doordat RPF het voor hem beschikbare kapitaal in de flexioenregeling na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst heeft omgezet in extra aanspraken op ouderdoms- en partnerpensioen. Werknemer vindt dat RPF haar zorg- en informatieverplichting ten opzichte van hem heeft geschonden omdat hij er op basis van de verstrekte informatie van uitging dat er pas bij zijn pensionering met het opgebouwde flexioenkapitaal pensioenaanspraken zouden worden ingekocht.
Oordeel
De stelling van werknemer dat RPF onrechtmatig zou hebben gehandeld doordat hij er op basis van de FAQ van uitging dat hij een ‘shoprecht’ had, gaat niet op. De FAQ zijn namelijk niet opgesteld door RPF maar door Robeco. Uit het PR 2006 volgt duidelijk dat de (ex-)deelnemer alleen binnen het RPF het recht heeft om de extra bijdragen om te zetten in pensioen en volgens vaste jurisprudentie is het pensioenreglement bovendien in beginsel leidend. In deze zaak is er geen aanleiding om daarvan af te wijken. Ook de stelling van werknemer dat er sprake is van onrechtmatig handelen door RPF dat haar kan worden toegerekend, omdat hij er op grond van de Brochure 2006 en het PR 2006 op heeft vertrouwd dat hij de Flexioenrekening na uitdiensttreding zou mogen behouden en er pas bij zijn pensionering pensioenaanspraken zouden worden ingekocht, houdt geen stand. De Brochure 2006 is niet opgesteld of verstrekt door RPF. Het betreft een algemene brochure van Robeco die niet specifiek bedoeld is voor werknemers van de Rabobank. Werknemer kan zich tegenover RPF dan ook niet op de inhoud van deze brochure beroepen. Ten aanzien van het PR 2006 onderschrijft de kantonrechter de stelling van werknemer dat de tekst onder het kopje “Extra aanspraken door individuele bijdragen van de deelnemer” de indruk wekt dat er pas bij pensionering pensioenaanspraken zouden hoeven worden ingekocht. De kantonrechter kan op basis van de door RPF overgelegde stukken bovendien niet vaststellen dat haar stelling, dat werknemer nadien wel goed geïnformeerd is, juist is. RPF heeft een algemene nieuwsbrief overgelegd en een bericht waaruit volgt dat werknemer akkoord is gegaan met het ontvangen van digitale post. Hieruit volgt niet dat RPF werknemer heeft geïnformeerd over de voor hem relevante wijzigingen in de flexioenregeling. Hier tegenover staat dat, zoals RPF terecht heeft opgemerkt, werknemer vanwege het dynamische incorporatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst gebonden is aan de actuele versie van het pensioenreglement waarin duidelijk staat dat de gewezen deelnemer het op dat moment aanwezige kapitaal moet omzetten in pensioenaanspraken in de basispensioenregeling. Een en ander moet ten opzichte van elkaar worden gewogen, waarbij in het algemeen de informatieplicht zwaarder zal wegen dan de onderzoeksplicht. Hoe die weging in deze zaak zou uitpakken, kan in het midden blijven omdat niet tot een veroordeling tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad kan worden gekomen nu naar het oordeel van de kantonrechter het element ‘schade’ niet kan worden vastgesteld. Onder deze omstandigheden wordt niet voldaan aan de eisen die gelden om tot een veroordeling uit onrechtmatige daad te komen. Gelet op het voorgaande wordt de vordering afgewezen.