Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkneemster/Bestuurder, c.s.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 november 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:10576
Bestuurdersaansprakelijkheid vanwege onderbetaling werknemer. Overdracht om niet van klantenbestand naar gelieerde vennootschap, waardoor het uitzendbureau niet langer aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen is aan de bestuurder te wijten.

Feiten

Werkneemster is van 12 december 2014 tot 6 augustus 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest bij Uitzendbureau. Bij vonnis van 15 augustus 2018 is Uitzendbureau in staat van faillissement verklaard. In deze procedure vordert werkneemster een verklaring voor recht dat de bestuurder c.s. aansprakelijk is voor het door Uitzendbureau onbetaald gelaten loon, alsmede betaling van € 3.338,26 netto ter zake van de eindafrekening en € 1.008,76 netto ter zake van pensioengelden.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van de bestuurder jegens werkneemster. Werkneemster heeft gesteld dat Uitzendbureau bij het einde van haar dienstverband niet correct met haar heeft afgerekend. Werkneemster heeft deze stellingen onderbouwd door overlegging van loonstroken en aan de hand van een berekening met een totaalbedrag van € 3.338,26. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de bestuurder deze stellingen niet voldoende concreet betwist. Een en ander leidt de kantonrechter tot het oordeel dat uitgangspunt bij de verdere beoordeling moet zijn dat Uitzendbureau tot het door werkneemster gevorderde bedrag niet aan haar verplichtingen jegens werkneemster heeft voldaan. Als vaststaand moet ook worden aangenomen dat Uitzendbureau voor deze vorderingen geen verhaal biedt. Uit de stellingen van werkneemster moet worden afgeleid dat het de bestuurder is geweest die bij Uitzendbureau aan de touwtjes trok. Gesteld noch gebleken is immers dat er naast of in plaats van de bestuurder nog een ander is geweest die bepalende invloed had op hetgeen aan werknemers werd betaald. Bovendien heeft de bestuurder het klantenbestand van Uitzendbureau om niet aan een bv overgedragen waarvan hij eveneens (indirect) bestuurder is. In het algemeen mag worden aangenomen dat een klantenbestand een zekere bedrijfseconomische waarde vertegenwoordigt. Waar het gaat om een uitzend- of verloningsbedrijf, zoals hier, mag in beginsel ook worden aangenomen dat een dergelijk bestand een voor het bedrijf wezenlijke asset betreft. Met het om niet overdragen van het klantenbestand vanuit de ene naar de andere – gelieerde – vennootschap heeft de bestuurder daarom toegelaten dat Uitzendbureau niet meer in staat was om haar verplichtingen jegens haar werknemers, althans werkneemster, na te komen. Hij behoorde in de gegeven omstandigheden te weten dat dit het gevolg was van de overdracht. Zonder klanten kan een uitzendbureau immers geen omzet genereren en dus ook zijn werknemers niet betalen. Hiervan moet de bestuurder daarom persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij is dus aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door werkneemster geleden schade. De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen van de bestuurder en de schade van werkneemster. Nu de bestuurder de omvang van de vordering niet gemotiveerd heeft weersproken, zal de kantonrechter de schade van werkneemster begroten op het door haar gevorderde bedrag. De schade kan voor werkneemster begroot worden op het bedrag dat zij feitelijk te weinig heeft ontvangen. Ook de vordering inzake de pensioenpremie is toewijsbaar, ook al is op zichzelf juist dat werkneemster dit bedrag bij correcte nakoming door Uitzendbureau van haar verplichtingen niet zelf zou hebben ontvangen. Dat laat immers onverlet dat werkneemster vermogensschade lijdt door het achterwege blijven van de pensioenafdracht. Niet valt in te zien dat de omvang van die schade niet op verantwoorde wijze zou kunnen worden begroot op het bedrag aan premie dat door Uitzendbureau had moeten worden afgedragen.