Naar boven ↑

Rechtspraak

Rechtbank Den Haag, 25 november 2020
Belastingdienstmedewerker schendt herhaaldelijk zijn geheimhoudingsplicht en handelt (ernstig) verwijtbaar door aangifte/omzetgegevens van verschillende ondernemers op te zoeken en te gebruiken om de concurrentiepositie van zijn eigen restaurant in de markt te verbeteren.

Feiten

Werknemer is bij de Belastingdienst bij de directie midden- en kleinbedrijf (mkb) in dienst getreden in de functie van invorderaar (groepsfunctie C). Werknemer heeft ten behoeve van zijn indiensttreding op 3 september 2007 de belofte afgelegd zich te gedragen als een goed ambtenaar betaamt. Ook heeft werknemer de verklaring geheimhoudingsverplichting ondertekend. Voor de uitvoering van zijn functie heeft werknemer autorisaties voor meerdere systemen van de Belastingdienst. Sinds 5 december 2018 heeft werknemer samen met vennoten X en Y een restaurant bij de Kamer van Koophandel geregistreerd. Op 19 maart 2020 heeft de Belastingdienst van vennoot Y een klacht ontvangen. In de klacht stelt vennoot Y dat er sprake is van een ernstige schending van de privacy door werknemer, omdat werknemer verschillende ondernemers in het belastingsysteem opzoekt en aangifte/omzetgegevens van deze ondernemers deelt en gebruikt om zijn eigen onderneming beter te kunnen positioneren in de markt. Vanaf 27 maart 2020 heeft het Onderzoeksbureau Integriteit Financiën (OIF) de klacht onderzocht. Werknemer is op 6 april 2020 schriftelijk over de ingediende klacht geïnformeerd. De onderzoekers van het OIF hebben op 9 april 2020 met werknemer gesproken en werknemer heeft erkend informatie uit het systeem te hebben bekeken en te hebben gedeeld. Tijdens een gesprek op 9 april 2020 heeft de directeur werknemer geschorst. Uit het onderzoeksrapport van het OIF volgt dat werknemer op meerdere momenten in de systemen van de Belastingdienst vertrouwelijke kwartaalomzetgegevens van bedrijven heeft geraadpleegd en deze gegevens heeft gedeeld met derden. Op 14 mei 2020 heeft een vervolggesprek tussen werknemer en de directeur plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is het onderzoeksrapport, met bijbehorende stukken, van het OIF aan werknemer overhandigd. Werknemer is in de gelegenheid gesteld op die stukken te reageren, maar heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. Werkgever verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden wegens onder meer verwijtbaar handelen en voor recht te verklaren dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en hem dientengevolge geen transitievergoeding toekomt.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door de Staat naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW (verwijtbaar handelen). Daartoe wordt het volgende overwogen. Op grond van de stukken staat vast dat werknemer onbevoegd zonder opdracht en/of zakelijke reden herhaaldelijk de belastingdienstsystemen voor niet zakelijke doeleinden heeft ingezien. Er was geen enkele beroepsmatige reden voor werknemer om deze gegevens te bekijken. Werknemer heeft vanuit zakelijk voordeel gehandeld. Werknemer heeft daarover immers verklaard de informatie te hebben geraadpleegd ‘om te weten hoe we er zelf financieel voorstonden’. Werknemer wilde op die manier zijn concurrentiepositie van zijn onderneming bepalen dan wel zijn onderneming uitbreiden. Voorts heeft werknemer blijkens zijn verklaring toegegeven dat hij de informatie uit de belastingdienstsystemen met derden heeft gedeeld, zonder opdracht of zakelijke reden. Dit betekent dat werknemer niet bevoegd was deze informatie te delen. Door deze gedragingen heeft werknemer zijn geheimhoudingsplicht herhaaldelijk geschonden. Daarbij overweegt de kantonrechter dat naleving van de geheimhoudingsplicht voor werknemers van de Belastingdienst essentieel is voor het waarborgen van het vertrouwen dat burgers en ondernemingen in de Belastingdienst mogen stellen. Van iedere werknemer van de Belastingdienst wordt een grote persoonlijke integriteit verwacht. De kantonrechter is verder van oordeel dat het herhaaldelijk schenden van de (ambtelijke) geheimhoudingsplicht moet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar handelen. Werknemer had op grond van zijn functie bij de Belastingdienst toegang tot vertrouwelijke gegevens en hij heeft herhaaldelijk onbevoegd die informatie met derden gedeeld. Werknemer heeft dan ook met zijn handelen zijn positie misbruikt. Dit handelen raakt de kern van het goed werknemerschap en het goed ambtenaarschap. Werknemer heeft zodanig verwijtbaar gehandeld dat van de Staat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de Staat zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onder b BW zal worden ontbonden met ingang van 1 december 2020. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen heeft werknemer geen aanspraak op een transitievergoeding. De door de Staat verzochte verklaring voor recht op dit punt zal dan ook worden toegewezen.

  • Instantie: Rechtbank Den Haag
  • Datum uitspraak: 25-11-2020
  • Zaaknummer: 8657570 \ EJ VERZ 20-85263
  • Nummer: AR-2020-1493
  • Onderwerpen: Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten en Gronden: e-grond
  • Trefwoorden: ernstig verwijtbaar handelen, concurrentiepositie verbeteren, geheimhoudingsplicht, ambtenaar, Belastingdienst, belastingsysteem, vertrouwen, misbruik, goed werknemerschap en goed ambtenaarschap