Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20 november 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:5108
De verstoring houdt – in bepaalde mate – verband met de ziekte van werkneemster. Opzegverbod van toepassing.

Feiten

Werkneemster is sinds 20 maart 2014 in dienst van de gemeente. Zij is sinds 13 maart 2017 arbeidsongeschikt. Werkneemster heeft zich ziek gemeld wegens werkgerelateerde klachten. De bedrijfsarts heeft op 30 oktober 2017 vastgesteld dat er sprake is van een conflict dat partijen moeten oplossen en adviseerde eventuele beëindiging van de arbeidsrelatie. Partijen hebben vervolgens een poging gedaan om de arbeidsrelatie te beëindigen. Werkneemster heeft daarmee uiteindelijk niet ingestemd. In juli 2019 heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat de klachten van werkneemster zijn toegenomen en dat zij een adequate psychologische behandeling moet krijgen en geadviseerd tot hervatting van de psychologische behandeling. Die behandeling heeft werkneemster gehad. Het laatste advies van de bedrijfsarts is van 11 september 2020. Daarin verklaart de bedrijfsarts dat werkneemster ongeschikt is om een proces van selectie en werving te doorstaan en sollicitatiegesprekken te voeren. Werkneemster heeft naast de behandelingen bij de psychologen een traject bij stichting X gevolgd. Daarnaast heeft zij meegewerkt aan diverse onderzoeken in het kader van re-integratie in het tweede spoor. De gemeente verzoekt nu om de arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden wegens duurzame verstoring van de arbeidsverhouding.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt het standpunt van de gemeente dat het verzoek tot ontbinding geen enkel verband houdt met de arbeidsongeschiktheid niet, althans onvoldoende, uit de overgelegde stukken. Tussen partijen staat niet ter discussie dat hun arbeidsverhouding voorafgaand aan de ziekmelding niet rimpelloos was. Dat daarmee sprake is van een ernstige en duurzame verstoring die geen verband houdt met de ziekte, is niet aannemelijk geworden. De ziekmelding van werkneemster is immers begonnen als een werkgerelateerd conflict en vervolgens zijn haar klachten verslechterd. Het staat niet ter discussie dat het conflict heeft bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid. In dat licht kan dus niet worden gesteld dat de verstoring geen verband houdt met de ziekte. Volgens de gemeente is onderdeel van de verstoring het wantrouwen dat werkneemster jegens haar heeft en dat het haar niet lukt dat wantrouwen weg te nemen. Welke concrete stappen zij daartoe heeft genomen is echter onvoldoende onderbouwd. Het is juist dat de bedrijfsarts in oktober 2017 heeft geadviseerd om de relatie te beëindigen, maar dit advies is nadien niet herhaald. Wél heeft de bedrijfsarts steeds geadviseerd om het conflict op te lossen. Voor de gemeente kon het conflict kennelijk alleen worden opgelost door afscheid van elkaar te nemen. Dat werkneemster de beëindigingsvoorstellen, na onderhandelingen, heeft afgewezen, houdt (ook) verband met haar ziekte. Het kan werkneemster niet worden verweten dat zij niet zonder meer instemt met beëindiging. Dit levert geen redelijke grond voor ontbinding op en is in strijd met het opzegverbod. Het doel van het opzegverbod is immers om de werknemer te beschermen tegen het ontslag en de psychische druk die opzegging tijdens ziekte kan leveren. Verder heeft de gemeente onvoldoende onderbouwd waarom de stellingname van werkneemster dat haar ziekte als beroepsziekte moet worden aangemerkt de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig heeft verstoord. De gemeente voert ook omstandigheden rondom de re-integratie aan als grond voor de verstoorde arbeidsverhouding. Dat werkneemster mondig genoeg is om voor zichzelf op te komen wanneer het gaat om haar arbeidsrechtelijke en medische belangen, leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Verder zijn er geen omstandigheden vastgesteld die maken dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer hier en nu moet eindigen. De slotsom is dat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.