Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 30 november 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:6307
Feiten
Werknemer is werkzaam als vrachtwagenchauffeur bij werkgeefster. Hij raakt in de uitoefening van zijn functie betrokken bij een eenzijdig ongeval in Duitsland. Werknemer heeft desgevraagd aan de politie verklaard die dag geen alcohol te hebben gedronken, maar gaf aan dat hij voor het ongeval enkele keren in het gebied van zijn gezicht had gewreven met een ontsmettingsmiddel. Uit bloedonderzoek blijkt vervolgens dat het alcoholgehalte in zijn bloed 1,77 promillage is. Ter plaatse heeft de Duitse politie het rijbewijs van werknemer ingenomen. Werkgeefster bericht werknemer vervolgens dat ze de loonbetaling stopzet, aangezien werknemer zonder rijbewijs de overeengekomen arbeid niet langer kan verrichten en dit volgens werkgeefster te wijten is aan het eigen handelen en daarmee in de risicosfeer van werknemer ligt. Hierna heeft werknemer zich ziek gemeld. Werkgeefster verzoekt de kantonrechter de bestaande arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen, artikel 7:669 lid 3 onder e BW (de e-grond), dan wel op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, artikel 7:669 lid 3 onder g BW (de g-grond), en tevens te bepalen dat aan werknemer geen recht op een transitievergoeding toekomt. Werknemer verweert zich hiertegen en geeft aan vanwege zijn medische situatie tot een risicogroep voor besmetting met het coronavirus te behoren. Hij is daardoor bang om besmet te raken met het coronavirus en deze toenemende angst zou geleid hebben tot dwangmatig gedrag, zodanig dat hij elke 5 tot 10 minuten zijn handen én zijn gezicht (neus, mond en wangen) met desinfectiemiddel insmeerde. Volgens werknemer zou dit uiteindelijk kunnen hebben geleid tot het gemeten alcoholpromillage. Naast verweer tegen de ontbindingsgronden doet werknemer ook een beroep op het opzegverbod wegens ziekte.
Oordeel
Onder verwijzing naar het gemeten alcoholpromillage kan volgens de kantonrechter geen andere conclusie worden getrokken dan dat werknemer tijdens het ongeval onder invloed van alcohol is geweest. Een dergelijke hoeveelheid aangetroffen alcohol in de adem en het bloed van werknemer kan in beginsel slechts worden verklaard door het feit dat werknemer (een flinke hoeveelheid) alcoholische dranken moet hebben genuttigd. Werknemer heeft zijn verweer dat het promillage komt door overmatig gebruik van alcoholisch desinfectiemiddel onvoldoende onderbouwd. Voorts is geen andere verklaring gegeven voor het gemeten alcoholpromillage, waardoor de kantonrechter van oordeel is dat is komen vast te staan dat het alcoholpromillage het gevolg is geweest van het nuttigen van alcoholische dranken door werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit gedrag van werknemer te kwalificeren als verwijtbaar handelen of nalaten, zodanig dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is van oordeel dat een zodanig hoog alcoholpromillage in de functie van vrachtwagenchauffeur te kwalificeren is als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. De arbeidsovereenkomst zal in afwijking van artikel 7:671b lid 9 onder a BW (en op grond van het bepaalde onder b) worden ontbonden per heden (30 november 2020). Hierdoor is werkgeefster ook geen transitievergoeding verschuldigd. De kantonrechter heeft zich daarbij er overigens van vergewist of het ontbindingsverzoek verband houdt met het opzegverbod tijdens ziekte (art. 7:671b lid 2 BW). Naar het oordeel van de kantonrechter houdt het verzoek van werkgeefster geen verband met de arbeidsongeschiktheid van werknemer, omdat niet gebleken is dat het alcoholpromillage (indirect) het gevolg is van een ziekte.