Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 2 december 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:5287
Feiten
Werknemers zijn respectievelijk in 1977 en 2002 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) NS Reizigers B.V. (hierna: NSR) en zijn op dit moment beiden werkzaam als machinist bij NSR, ten behoeve van een dochteronderneming. Machinisten van de betreffende dochteronderneming rijden in de regel in Nederland en daarnaast ook in Duitsland of België. Zij hebben naast hun Nederlandse bevoegdheid ook een buitenlandse bevoegdheid. Hiervoor ontvingen deze machinisten een ‘competentietoeslag’. In 2011 is de dochteronderneming een pilot gestart waarbij enkele machinisten, onder wie werknemers, zowel ingezet zouden kunnen worden op het grensoverschrijdend spoorvervoer naar Duitsland als België. Ze werden daarmee zogenoemde Multi-Inzetbare Machinisten. Aan werknemers is op basis van deelname aan de pilot een tijdelijke persoonlijke toelage verleend. Voorwaarde voor toekenning van de toelage was das dat werknemers flexibel inzetbaar zouden zijn en blijven en dat de regelgeving en materieelkennis op peil werd gehouden. Na een evaluatie van de pilot is besloten de pilot stop te zetten, wat betekende dat medio 2017 de inzet van de multi-machinisten is gestaakt. De dochteronderneming van NSR heeft vervolgens in gesprek met werknemers aangegeven dat de persoonlijke toelage gaat stoppen en heeft hierbij een afbouwregeling voorgesteld. Werknemers hebben de voorgestelde afbouwregeling niet geaccepteerd en vorderen dat NSR wordt veroordeeld tot betaling van de gederfde competentietoeslag. Aan die vordering leggen werknemers primair ten grondslag dat de persoonlijke maandelijkse pensioengevende competentietoeslag een arbeidsvoorwaarde is geworden die niet eenzijdig door NSR gewijzigd kan worden. Subsidiair stellen werknemers dat NSR voor het intrekken van de toeslag geen compensatie heeft geboden anders dan een in tijd zeer beperkte afbouwregeling. NSR voert aan dat het een proef betrof, waarin bij aanvang verschillende voorbehouden zijn gemaakt, waardoor er geen sprake is geweest van een (eenzijdige) wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De bevoegdheid om de persoonlijke toelage stop te zetten volgde immers uit de voorwaarden waaronder die was toegekend. Er was geen sprake van een onvoorwaardelijke toelage. Subsidiair voert NSR aan dat indien het stopzetten van de persoonlijke toelage als een (eenzijdige) wijziging van de arbeidsovereenkomst zou moeten worden beschouwd, NSR als goed werkgever een redelijk voorstel heeft gedaan dat werknemers als goed werknemers gehouden waren om te accepteren.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat de persoonlijke toelage die werknemers ontvingen vanwege hun inzet als Multi-Inzetbare Machinisten geen vaste arbeidsvoorwaarde is geworden in de zin van een verworven recht. Allereerst benadrukt de kantonrechter dat in de brief die werknemers hebben ontvangen aan het begin van de pilot meerdere keren het tijdelijke karakter van de persoonlijke toelage is benadrukt. Die tijdelijkheid hing samen met de duur van de proef. Daarnaast wordt in de brief aangegeven dat zodra de keuze voor de tijdelijke toelage wordt geëvalueerd, besloten kan worden wederom voor een vastgestelde tijdelijke periode de persoonlijke toelage te continueren. Tijdens de zitting is namens werknemers toegelicht dat de hoogte van de persoonlijke toelage een afgeleide was van de competentievergoeding en, nu er wel afspraken werden gemaakt over de competentievergoeding en er niets werd afgesproken over de persoonlijke toelage, zij ervan uit mochten gaan dat dezelfde afspraken golden voor de persoonlijke toelage, namelijk dat deze onvoorwaardelijk zou zijn zolang de arbeidsovereenkomst zou voortduren. De kantonrechter kan werknemers niet volgen in deze redenering. Ook in het geval de hoogte van de persoonlijke toeslag een afgeleide is van de competentievergoeding, zegt dat enkele gegeven immers nog niets over de duur van toekenning van de persoonlijke toeslag. Ook het beroep op het tijdsverloop, waaruit werknemers mochten afleiden dat de persoonlijke toelage een structureel karakter heeft gekregen, slaagt niet. De kantonrechter wijst op eerdere rechtspraak, waaruit blijkt dat enkel tijdsverloop onvoldoende is om tot deze conclusie te komen. De kantonrechter komt dus tot de conclusie dat het om een tijdelijke persoonlijke toelage ging die geen deel is gaan uitmaken van de vaste arbeidsvoorwaarden. NSR was dan ook gerechtigd tot het afbouwen en stoppen van deze toelage.