Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/M.B. Schoonmaak en Bedrijfsdiensten B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 16 december 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:6591
Medewerkster schoonmaak heeft op grond van de afspraken in de arbeidsovereenkomst en de (minimum-) Cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf recht op betaling van een reiskostenvergoeding voor woon-werkveer alsmede betaling van andere cao-vergoedingen. Werkgever is verplicht een urenregistratie bij te houden.

Feiten

Werkneemster was sinds 1 mei 2003 in dienst bij Service Schoonmaakbedrijf Ousen B.V. (hierna: Ousen) in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud. In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst was bepaald dat werkneemster een reiskostenvergoeding van € 0,26 per kilometer zou ontvangen. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf van toepassing verklaard. Deze cao heeft een minimumkarakter en kent bepalingen over onder meer de reistijden- en reiskostenvergoeding. Per 1 augustus 2007 heeft M.B. Schoonmaak en Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: M.B.) Ousen overgenomen en aan werkneemster een arbeidsovereenkomst aangeboden, gedateerd 1 april 2008. Tussen (de gemachtigden van) partijen is sinds februari 2010 meerdere malen gecorrespondeerd over de betaling van de reiskostenvergoeding.  M.B. heeft bij brief van 31 maart 2010 laten weten met ingang van februari 2010 werkneemster weer de reiskosten te vergoeden op basis van € 0,26 per kilometer. De toenmalige gemachtigde van werkneemster heeft M.B. bij brief van 13 februari 2019, tevens verstuurd per e-mail, verzocht om haar nog een bedrag van € 5.689,15 bruto aan reisurenvergoeding en opkomstvergoeding te betalen. Bij brief van 2 mei 2019 heeft M.B. werkneemster onder meer bericht een bedrag aan reisuren (€ 5.834,58 bruto) en aan opkomstvergoeding (€ 285,00 bruto) uit te betalen. M.B. geeft in dezelfde brief aan de ten onrechte gedeclareerde kilometers woon-werkverkeer conform artikel 34 lid 1 over de jaren 2014 t/m 2018 in te houden c.q. terug te vorderen (een netto in te houden bedrag ad € 4.742,39). Het door werkneemster netto verschuldigde bedrag (€ 320) zal worden ingehouden op de salarisstrook over de maand mei 2019. Bij e-mailbericht van 30 september 2019 heeft werkneemster M.B. bericht dat zij van mening is dat gedurende haar dienstverband de cao niet juist is toegepast waardoor zij te weinig vergoedingen/toeslagen zou hebben ontvangen. Werkneemster vordert dat de kantonrechter MB veroordeelt tot onder meer betaling van reisuren-, opkomst- en reiskostenvergoeding, pauze-uren, toeslag bijzondere uren, vakantie-uren, vakantietoeslag en pensioenpremie. M.B. vordert in reconventie  dat de kantonrechter werkneemster veroordeelt tot betaling van een bedrag ter hoogte van € 4.742,01 netto aan M.B. inzake de ten onrechte gedeclareerde en betaalde reiskosten woon-werkverkeer.

Oordeel

Reiskostenvergoeding

Ousen en werkneemster zijn in 2003 een kilometervergoeding van € 0,26 per kilometer voor reiskosten overeengekomen. M.B. heeft niet betwist dat zij heeft ingestemd met de afspraak om voornoemd bedrag te (blijven) vergoeden, nadat aanvankelijk de bedoeling was dat werkneemster een vast bedrag van € 4,50 per dag zou ontvangen. M.B. heeft deze afspraak ook bevestigd in haar brief van 31 maart 2010. Dat het M.B. niet duidelijk was dat het om een vergoeding van gereden kilometers voor woon-/werkverkeer ging, komt voor haar eigen rekening en risico. Partijen bezigen net als in de cao de term ‘reiskostenvergoeding’ en hebben hierover uitdrukkelijk overleg gevoerd. Daar komt bij dat M.B. een controle had kunnen uitvoeren en had kunnen vaststellen hoeveel kilometers er door werkneemster werden gedeclareerd en of dit conform de beweerdelijke afspraak was. Dat is niet gebeurd, terwijl werkneemster het aantal gereden kilometers altijd heeft bijgehouden op de door M.B. overgelegde weekrapportages. Dat de telefoniste van M.B. de declaraties invoerde en verwerkte, komt voor risico van M.B. Werkneemster mocht er dan ook op vertrouwens dat zij haar reiskosten voor woon-/werkverkeer (€ 0,26 per kilometer) vergoed kreeg. Overigens is het betalen van een reiskostenvergoeding voor woon-/werkverkeer kennelijk nooit een probleem voor M.B. geweest, nu M.B. dit punt pas heeft aangevoerd op het moment dat werkneemster in 2019 om een reisurenvergoeding vroeg.

Pauze-uren, toeslag bijzondere uren

M.B. heeft geen urenregistratie overgelegd en ook niet gesteld dat zij deze heeft, behoudens de reeds overgelegde (door werkneemster niet ondertekende) brieven waarin wordt vermeld dat werkneemster op een bepaald object werkzaam zal zijn met de daarbij behorende werktijden. Het moet er dus voor gehouden worden dat M.B. geen nadere urenregistratie over kan leggen. Gelet daarop heeft M.B. haar betwisting van het door werkneemster gestelde aantal pauze-uren en toeslag bijzondere uren onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, zodat in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van het door werkneemster gestelde aantal uren.