Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/GVB Exploitatie B.V.
Hoge Raad, 26 maart 2021
ECLI:NL:HR:2021:441
Ontbinding arbeidsovereenkomst metrobestuurder op de e-grond na ongeval met passagier. Nu honorering verweer werknemer tot een andere uitkomst had kunnen leiden, had het hof hierop in moeten gaan. Hof had bewijsaanbod werknemer niet mogen passeren.

Feiten

Werknemer is op 1 februari 1991 in dienst getreden bij GVB Exploitatie B.V. (hierna: GVB). Op 8 februari 2018 heeft zich bij een metrohalte in Amsterdam een incident voorgedaan. Uit de camerabeelden blijkt het volgende. Werknemer kwam als bestuurder van de metro aangereden. Na het uit- en instappen van passagiers bij de metrohalte, kwam een man aangerend, die zijn arm tussen de zich sluitende deuren stak en met zijn arm tussen de deuren vast kwam te zitten. De metro is toen gaan rijden en de man, die met zijn onderarm nog tussen de deuren vast zat, rende mee met de metro die naar voren reed. Even later kwam de man los. Hij heeft van het incident melding gemaakt bij de verkeersleiding van GVB. De verkeersleiding van GVB heeft werknemer enige tijd later opgeroepen en zijn dienst voortijdig beëindigd. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich ten tijde van het incident aan de ‘vertrekprocedure’ heeft gehouden en pas is gaan rijden toen de deuren al gesloten waren en het sein op groen stond, maar dat de passagier (daarna) zijn hand tussen de deurrubbers had gewrongen. Werknemer is vervolgens een rijverbod opgelegd. In maart 2018 heeft een reconstructie van het incident plaatsgevonden. De bevindingen zijn door een onderzoeker van de afdeling Veiligheid van GVB in een toedrachtsanalyse opgetekend. In die toedrachtsanalyse staat onder meer dat de beschrijving van het incident door werknemer afwijkt van de cameraregistraties. Geconcludeerd werd dat het ongeval is veroorzaakt door menselijk falen van werknemer, nu – onder meer op basis van camerabeelden – is gebleken dat hij via zijn monitor onbelemmerd zicht heeft kunnen hebben op de tussen de deuren ingeklemde reiziger en hij de metro gedurende vier seconden heeft laten rijden, terwijl de passagier tussen de deuren geklemd zat. Hij heeft aldus, door het niet correct toepassen van de vertrekprocedure, een reiziger in gevaar gebracht. GVB heeft vervolgens bij de kantonrechter een ontbindingsverzoek ingediend, gebaseerd op verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen, onder toekenning van een transitievergoeding van € 45.268. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter wat betreft de beslissing over de transitievergoeding vernietigd en voor het overige bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer verwijtbaar gehandeld door de veiligheidsvoorschriften te overtreden. Daardoor heeft hij een passagier in gevaar gebracht. De door werknemer herhaaldelijk geuite lezing van het incident vindt geen enkele bevestiging in de camerabeelden, aldus het hof. De ontbinding bleef in hoger beroep aldus in stand. Het hof heeft GVB veroordeeld de werknemer een transitievergoeding te betalen van € 54.141,32. Werknemer heeft beroep in cassatie ingesteld.

Oordeel

Werknemer stelt zich in cassatie onder meer op het standpunt dat het hof zonder motivering voorbij is gegaan aan het verweer van werknemer dat GVB haar eigen protocol heeft overtreden, waarin staat dat cameraopnames niet mogen worden gebruikt ter ondersteuning van disciplinaire maatregelen tegen het personeel. In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft werknemer betoogd dat de toedrachtsanalyse die GVB heeft gebruikt ter ondersteuning van haar besluit werknemer te ontslaan, buiten beschouwing moet blijven, omdat daarbij gebruik is gemaakt van camerabeelden. In het ‘Protocol Cameratoezicht GVB Cameratoezicht op stations en haltes’ staat dat beelden niet mogen worden gebruikt ter ondersteuning van disciplinaire maatregelen, aldus werknemer. GVB heeft daartegen onder meer aangevoerd dat het door werknemer gestelde uitgangspunt juist is, maar dat in dit geval sprake was van een uitzonderlijke situatie omdat de verklaring van werknemer lijnrecht tegenover die van de benadeelde reiziger en een medereizigster stond. De Hoge Raad overweegt dat de kantonrechter niet uitdrukkelijk op het verweer van werknemer is ingegaan, maar in de beoordeling door de kantonrechter van het ontbindingsverzoek, waarbij hij de toedrachtsanalyse heeft betrokken, ligt de verwerping van dat verweer besloten. Werknemer heeft in hoger beroep voormeld standpunt herhaald. GVB is daarop in haar verweerschrift in hoger beroep ingegaan. Nu honorering van dat verweer van werknemer tot een andere uitkomst kan leiden, had het hof op het verweer dienen in te gaan. Het onderdeel slaagt dus.

Voorts richt werknemer zich in cassatie tegen de overweging in r.o. 3.10 van de beschikking van het hof dat voor verdere bewijslevering met betrekking tot de gebeurtenissen geen aanleiding bestaat, omdat de vaststaande gebeurtenissen voldoende grond vormen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het onderdeel klaagt dat het hof niet aan het bewijsaanbod van werknemer voorbij had mogen gaan. Het verwijst daarbij naar het aanbod van werknemer om getuigen te horen, waaronder het vermeende slachtoffer, een andere reizigster en de verwerkers van het beeldmateriaal, en naar het algemene bewijsaanbod aan het slot van het beroepschrift. Het wijst daarbij in het bijzonder op de stelling van werknemer dat de camerabeelden, gelet op daarin voorkomende hiaten van enkele seconden, bewust gemanipuleerd kunnen zijn. Deze klacht is gegrond. De grieven 5 en 6 betreffen de toedracht van het incident en de vraag welke bewijskracht daarbij toekomt aan de camerabeelden, gelet op de daarin voorkomende hiaten. Nu het oordeel van het hof mede op die camerabeelden berust, is het aanbod om bewijs te leveren ten aanzien van de integriteit van de beelden ter zake dienend. Het hof had dat aanbod dus niet mogen passeren, op de hiervoor genoemde grond. Voor zover het algemene bewijsaanbod volgens het onderdeel betrokken moet worden op andere stellingen, zal na verwijzing moeten worden beoordeeld of ter zake van die stellingen gelegenheid moet worden geboden voor bewijslevering.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof Amsterdam en verwijst het geding naar het Hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.