Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 23 maart 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:2729
Feiten
De echtgenoot van werkneemster is op 1 april 2018 in dienst getreden bij Fositran in de functie van schipper, zulks op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. Werkneemster is eveneens op 1 april 2018 in dienst getreden bij Fositrans, in de functie van stuurvrouw, eveneens voor de duur van een jaar. Werkneemster en haar echtgenoot hebben zich op 25 juli 2018 bij Fositrans ziek gemeld. Later die dag heeft Fositrans werkneemster en haar echtgenoot op staande voet ontslagen wegens werkweigering. De kantonrechter Zwolle heeft het gegeven ontslag vernietigd. Daartoe is onder meer overwogen dat uit deskundigenberichten volgt dat werkneemster en haar echtgenoot op 25 juli 2018 als gevolg van ziekte ongeschikt waren de bedongen arbeid te verrichten en dat van ongerechtvaardigde werkweigering dus geen sprake was. De arbeidsovereenkomst is door ontbinding daarvan door de kantonrechter per 1 februari 2019 geëindigd. Werkneemster vordert betaling van achterstallig loon. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat werkneemster, anders dat zij had gesteld, wel over inkomsten in die periode beschikte uit de Krankenkasse. Werkneemster komt tegen het vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Werkneemster stelt dat zij ten onrechte op 25 juli 2018 op staande voet is ontslagen en haar ten onrechte sindsdien het haar toekomende loon wordt onthouden. De inkomsten uit Duitse uitkeringen (van de Krankenkasse en de Bundesagentur für Arbeit) moet zij terugbetalen, stelt zij. Uit de overgelegde beschikking van 12 juni 2020 blijkt dat het aan haar gegeven ontslag op staande voet is vernietigd. Uit die beschikking kan verder worden afgeleid dat Fositrans inmiddels het door haar vanaf 25 juli 2018 verschuldigde loon heeft betaald. De vordering is door de kantonrechter in kort geding afgewezen omdat zij vanaf eind oktober 2018 een uitkering van de Duitse Krankenkasse ontving en dat om die reden van haar gevergd mocht worden dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. Uit de overgelegde producties blijkt dat genoemde uitkering op 20 september 2018 is toegekend tot 14 december 2019. Gesteld noch gebleken is dat die uitkering eerder zou worden gestaakt dan wel eerder door haar zou moeten worden terugbetaald dan voordat zij daadwerkelijk haar loon van Fositrans had ontvangen. Het loon van werkneemster is, zoals overwogen, inmiddels ook door Fositrans betaald. Daarmee is ook in hoger beroep het belang – laat staan de spoedeisendheid daarvan – in onvoldoende mate aannemelijk geworden. Daarop stuit de vordering af. Een en ander brengt mee dat de door werkneemster in kort geding gevorderde betaling van loon terecht is afgewezen. De kostenveroordeling heeft bovendien terecht plaatsgevonden, nu werkneemster over andere (verzwegen) inkomsten beschikte en daardoor geen (spoedeisend) belang had bij haar vordering in kort geding ter zake.