Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 23 maart 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:2730
Feiten
Werknemer is op 1 april 2018 in dienst getreden bij Fositran in de functie van schipper, zulks op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. De echtgenote van werknemer is eveneens op 1 april 2018 in dienst getreden bij Fositrans, in de functie van stuurvrouw, eveneens voor de duur van een jaar. Werknemer en zijn echtgenote hebben zich op 25 juli 2018 bij Fositrans ziek gemeld. Later die dag heeft Fositrans werknemer en zijn echtgenote op staande voet ontslagen wegens werkweigering. De kantonrechter Zwolle heeft het gegeven ontslag vernietigd. Daartoe is onder meer overwogen dat uit deskundigenberichten volgt dat werknemer en zijn echtgenote op 25 juli 2018 als gevolg van ziekte ongeschikt waren de bedongen arbeid te verrichten en dat van ongerechtvaardigde werkweigering dus geen sprake was. De arbeidsovereenkomst is door ontbinding daarvan door de kantonrechter per 1 februari 2019 geëindigd. Werknemer vordert betaling van achterstallig loon. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Werknemer komt tegen het vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Werknemer stelt dat hij ten onrechte op 25 juli 2018 op staande voet is ontslagen en dat ten onrechte het door hem gevorderde loon bij ziekte niet is toegewezen. Uit de overgelegde beschikking van 12 juni 2020 blijkt dat het aan hem gegeven ontslag op staande voet is vernietigd. Uit die beschikking kan verder worden afgeleid dat Fositrans voor de beschikking van 12 juni 2020 het door haar vanaf 25 juli 2018 aan werknemer verschuldigde loon volledig heeft betaald. Een en ander brengt mee dat het (spoedeisend) belang bij de loonvordering in kort geding nu niet meer bestaat, zodat het hof het vonnis van de kantonrechter op dat onderdeel zal vernietigen. Het hoger beroep tegen de afwijzing van loon in kort geding over de maanden februari en maart 2019 is zonder redelijke grond door werknemer ingesteld. De arbeidsovereenkomst van werknemer is door een ambtgenoot van de kantonrechter bij beschikking van 17 december 2018 voorwaardelijk ontbonden per 1 februari 2019. Daarmee stond in de bodemzaak het einde van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2019 vast. Dat einde was definitief omdat een hoger beroep de ontbinding niet schorst. Werknemer heeft zijn loonvordering in kort geding op 3 april 2019 aanhangig gemaakt, dus na het eindigen van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2019. In die kortgedingprocedure kon dus in geen geval meer worden toegekend dan het loon tot 1 februari 2019. De beperking in loontoewijzing kon niet anders worden door hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in kort geding. Alleen in de bodemprocedure kon het hof eventueel een voorziening treffen voor de maanden februari en maart 2019, namelijk als het hof tot het oordeel zou komen dat ten onrechte is ontbonden, in welk geval het hof de arbeidsovereenkomst eventueel kon (doen) herstellen, met eventueel aanvullende voorzieningen. Ook in zo’n geval was dan sprake van een bodembeslissing waarop een oordeel in hoger beroep in kort geding afgestemd moet worden. Voor een ander of daarop vooruitlopend oordeel van de kortgedingrechter in hoger beroep zoals werknemer voorstond, te weten doorbetaling van zijn loon over de maanden februari en maart 2019, bestond daarmee hoe dan ook geen ruimte. Dit had werknemer moeten weerhouden om tegen het vonnis van 8 mei 2019 in hoger beroep te gaan. Het hoger beroep is daarmee als juridisch kansloos nodeloos ingesteld. Het gevolg daarvan is dat werknemer met de proceskosten van het hoger beroep wordt belast.