Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Woonzorgcentrum De Beyart/werkneemster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 17 maart 2021
ECLI:NL:RBLIM:2021:2486
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding. Geen sprake van werkweigering, omdat werknemer is vrijgesteld van werkzaamheden. Ook geen sprake van disfunctioneren, omdat geen verbetertraject is aangeboden. Billijke vergoeding toegekend.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 december 1997 in dienst bij Stichting Woonzorgcentrum De Beyart (hierna: De Beyart) in de functie van teamleider. Naar aanleiding van bezuinigingen van de overheid, toenemende krapte op de arbeidsmarkt, hogere eisen van zorgverzekeraars en een veranderende zorgvraag heeft De Beyart het eind 2019 noodzakelijk geacht de nodige wijzigingen in haar organisatie door te voeren. In januari 2020 heeft de ondernemingsraad desgevraagd positief gereageerd op de voorgestelde veranderingen. Op 4 maart 2020 en op 28 mei 2020 heeft De Beyart gesprekken gevoerd met werkneemster. Op 13 augustus 2020 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden waarin werkneemster te kennen is gegeven dat zij per direct ontheven is uit haar functie van teamleider en zij is vrijgesteld van werk. Bij brief van 26 augustus 2020 heeft werkneemster aanspraak gemaakt op tewerkstelling in haar bedongen functie. Op 27 augustus 2020 heeft werkneemster wederom een gesprek gehad met De Beyart waarin is gesproken over een loonbaancoach voor werkneemster. Werkneemster heeft aangegeven dat ze de op non-actiefstelling een disproportionele disciplinaire maatregel vindt, waarop De Beyart heeft verklaard dat geen sprake is van een disciplinaire maatregel, maar dat uit het auditrapport blijkt dat ingegrepen moest worden. In de daaropvolgende periode heeft De Beyart werkneemster enkele malen een andere functie aangeboden (met behoud van haar oude loon), zonder dat dit heeft geleid tot werkhervatting. Bij brief van 26 november 2020 heeft De Beyart werkneemster gesommeerd om uiterlijk de dag erna een keuze te maken tussen drie aangeboden functies en om uiterlijk op 30 november 2020 in die gekozen functie het werk te hervatten. Per 30 oktober 2020 is werkneemster begonnen in de functie van leidinggevende expertisecentrum. Die functie heeft werkneemster ongeveer twee weken uitgevoerd, waarna zij door De Beyart is vrijgesteld van die werkzaamheden. De Beyart verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de d-, e- dan wel g-grond zonder toekenning van de transitievergoeding.

Oordeel

Volgens De Beyart handelt werkneemster verwijtbaar (of heeft zij dat gedaan) door geen van de aangeboden passende functies ‘definitief’ te aanvaarden, hetgeen neerkomt op werkweigering. Werkneemster heeft echter aangevoerd dat zij arbeid in haar nieuwe functie is blijven aanbieden, maar dat De Beyart haar heeft vrijgesteld van die werkzaamheden. Dat gemotiveerde verweer is door De Beyart niet weerlegd. Daarmee komt de rechter tot de conclusie dat geen sprake is van werkweigering en werkneemster niet verwijtbaar heeft gehandeld. Ten aanzien van het beweerde disfunctioneren overweegt de kantonrechter dat De Beyart werkneemster geen verbetertraject heeft aangeboden, waardoor dit niet als grondslag voor ontbinding kan dienen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van De Beyart niet in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Gelet op de inmiddels ontstane situatie acht de kantonrechter een vruchtbare samenwerking in de (in ieder geval nabije) toekomst niet meer tot de mogelijkheden behoren. De kantonrechter zal derhalve op die grond de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbinden. De Beyart is gehouden de transitievergoeding aan werkneemster te betalen. Ook wordt De Beyart veroordeeld in betaling van een billijke vergoeding. De verstoring van de arbeidsrelatie moet in overwegende mate worden toegeschreven aan ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Beyart. De Beyart heeft werkneemster – kort gezegd – op 13 augustus 2020 onverhoeds uit haar functie ontheven en daarmee een voldongen feit gecreëerd. Dat is, tegen de achtergrond van het eerdere uitstekende functioneren van werkneemster gedurende 23 jaar, aan De Beyart ernstig verwijtbaar. Mede gelet op die omstandigheden, gezien de duur van de arbeidsovereenkomst, de omvang van het loon, de leeftijd van werkneemster, haar goede staat van dienst en overige omstandigheden acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 66.407,54 op zijn plaats.