Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 juni 2011 in dienst getreden bij werkgever in de functie van productiemedewerker voor 40 uur per week. Zijn laatstgenoten salaris bedroeg € 1.937,78 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Op 28 mei 2020 heeft werknemer met een mechanische schaar in ieder geval één brandblusser doormidden geknipt. Hierbij is bluspoeder vrijgekomen en op de alligatorschaar terecht gekomen. Toen werkgever probeerde dit poeder weg te vegen is zijn hand tussen de schaar gekomen. Als gevolg hiervan heeft werkgever handletsel opgelopen. Hij mist (een gedeelte van) meerdere vingers van zijn rechterhand. Op 29 mei 2020 heeft werkgever werknemer op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft bij beschikking van 5 november 2020 het ontslag op staande voet vernietigd. In deze beschikking heeft de kantonrechter overwogen dat door de vernietiging van het ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst voortduurt en dat werkgever dus recht heeft op betaling van het achterstallige loon vanaf 29 mei 2020. Werkgever heeft hoger beroep aangetekend tegen de beschikking. Dit hoger beroep loopt nog. Werknemer heeft vanaf 29 mei 2020 geen loon meer van werkgever ontvangen. Werknemer vordert onder meer doorbetaling van zijn loon.
Oordeel
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de kantonrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Naar het oordeel van de kantonrechter ontbreekt het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. Daartoe overweegt de kantonrechter dat op dezelfde dag als dat dit vonnis wordt gewezen – 22 maart 2021 – er ook een beschikking wordt genomen in de verzoekschriftprocedure tussen partijen (AR 2021-0418). In die beschikking wijst de kantonrechter het tegenverzoek van werkgever tot betaling van het (achterstallige) loon en verstrekking van de loonspecificaties toe. Dit tegenverzoek komt nagenoeg overeen met de hier gevraagde voorzieningen. Omdat de kantonrechter met de beslissing in voornoemde beschikking al heeft beslist over de loonbetalingsverplichtingen van werknemer, ontbreekt het spoedeisend belang bij de hier gevraagde voorzieningen. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.