Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 maart 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:680
Feiten
Werknemer is op 1 oktober 2015 in dienst getreden bij Besseling & All Techniek B.V. (hierna: Besseling) in de functie van leerling/algemeen medewerker. In de periode van 30 september 2015 tot 31 juli 2018 werd een deel van de werktijd van werknemer gebruikt om een BBL-opleiding tot machinebouwer niveau 3 te volgen. In de arbeidsovereenkomst van werknemer is een studiekostenbeding opgenomen waarin onder meer het volgende is opgenomen: ‘Wanneer de werknemer gedurende zijn opleiding of binnen 2 jaar na afloop hiervan op eigen verzoek de dienstbetrekking met werkgever wenst te beëindigen dient hij (een deel van) de opleidingskosten terug te betalen aan de werkgever.’ Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor het Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing. In hoofdstuk XII van deze cao, met als titel ‘Onderwijs’, is in artikel 72 onder meer bepaald dat de werkgever kan bedingen dat de werknemer na zijn examen nog een bepaalde tijd in dienst zal moeten blijven, met dien verstande dat het verbod tot opzegging niet langer kan gelden dan tot uiterlijk één jaar na het afleggen van het examen. De werknemer die de dienstbetrekking beëindigt voor de hiervoor bedoelde termijn is schadeplichtig. Werknemer heeft verschillende modules gevolgd in het kader van zijn opleiding. De kosten hiervan zijn bij Besseling in rekening gebracht en door Besseling betaald. Op 15 juni 2018 heeft werknemer met succes het examen afgelegd voor de kwalificatie ‘machinebouwer (niveau 3)’ en het bijbehorende diploma behaald. Bij brief van 6 juni 2019 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, zodat de laatste dag van de arbeidsovereenkomst op 31 juli 2019 was. Werknemer is hierna in dienst getreden bij Weber Hospital Systems in Zwaag. Besseling heeft werknemer op 10 juli 2019 gesommeerd tot (gedeeltelijke) terugbetaling van de door haar gemaakte opleidingskosten. Werknemer heeft dit geweigerd. Op de eindafrekening heeft Besseling een bedrag van € 938,68 netto ingehouden. Besseling heeft in eerste aanleg in conventie onder meer gevorderd dat de kantonrechter werknemer veroordeelt tot betaling van € 9.633,17 ter zake van studiekosten. Werknemer heeft in reconventie onder meer gevorderd dat de kantonrechter Besseling veroordeelt tot betaling van voornoemd bedrag van € 938,68 ter zake van salaris dat is ingehouden op de eindafrekening. De kantonrechter heeft in conventie de vordering afgewezen en in reconventie de vordering van € 938,68 toegewezen. Tegen dit vonnis komt Besseling op.
Oordeel
De kernvraag die partijen verdeeld houdt, is of het in de arbeidsovereenkomst opgenomen studiekostenbeding in strijd is met artikel 72 van de cao, en wat de gevolgen daarvan zijn. Het hof is van oordeel dat artikel 72 van de cao aldus moet worden uitgelegd dat daarin de terugbetalingsverplichting van de werknemer ter zake van door de werkgever gemaakte studiekosten is geregeld. Het hof kent daarbij in de eerste plaats betekenis toe aan de context waarin artikel 72 van de cao is opgenomen, te weten in hoofdstuk XII van de Cao met als titel ‘Onderwijs’. Voorts is de terugbetalingsverplichting gekoppeld – zoals bij een studiekostenbeding gebruikelijk – aan een bepaalde periode gedurende welke de werknemer na het voltooien van zijn opleiding nog in dienst moet blijven van de werkgever. Nu de cao krachtens de werkingssfeerbepaling aangemerkt moet worden als een minimum-cao is afwijking ten nadele van de werknemer niet toegestaan. Vast staat dat de schadeplichtigheid van de werknemer beperkt is tot de situatie dat hij zijn dienstverband beëindigt binnen een periode van één jaar na het afleggen van het examen. De in de arbeidsovereenkomst opgenomen terugbetalingsregeling wijkt ten nadele af van de cao, aangezien krachtens de arbeidsovereenkomst een (gestaffelde) terugbetalingsregeling geldt voor een langere periode dan één jaar na het behalen van het examen. Uit het voorgaande volgt dat het studiekostenbeding zoals opgenomen in de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten tussen partijen in strijd is met artikel 72 van de cao. De volgende vraag is, of dit met zich brengt dat het studiekostenbeding nietig is op grond van artikel 12 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (WCAO). In het onderhavige geval is de cao door middel van een incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst opgenomen. Partijen hebben zich er niet over uit gelaten of zij als ‘gebonden’ aan de cao in de zin van artikel 9 WCAO kunnen worden aangemerkt. Deze vraag is relevant omdat, in het geval werknemer een ongebonden werknemer is, de vraag aan de orde komt of hij (alsnog) een beroep kan doen op de nietigheid van artikel 12 WCAO vanwege het incorporatiebeding en/of aan hem een beroep toekomt op artikel 3 Wet AVV. Het hof zal een mondelinge behandeling bepalen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich over bovengenoemd punt uit te laten en alsnog een schikking te beproeven.