Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 2 april 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:1687
Werknemer is terecht op staande voet ontslagen omdat hij een collega seksueel geïntimideerd heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat zijn collega wraak wilde nemen of werkgever van hem af wilde.

Feiten

Werknemer is nadat hij eerst een half jaar als uitzendkracht heeft gewerkt op 15 april 1992 in dienst getreden bij werkgever in de functie van medewerker magazijn. Werknemer is diabetespatiënt en geopereerd geweest aan zijn handen/polsen en als gevolg daarvan enige tijd wegens arbeidsongeschiktheid uitgevallen geweest. Werknemer is bij brief van 5 november 2020 op staande voet ontslagen omdat hij een collega seksueel geïntimideerd zou hebben. Werknemer heeft op 30 oktober en 2 november 2020 ongewenste seksuele toenaderingen gedaan, verzocht om seksuele gunsten en andere ongewenste seksuele uitlatingen richting een collega gedaan. Daarvoor is werknemer ook geschorst. Bij brief van 2 december 2020 heeft werknemer tegen het ontslag op staande voet geprotesteerd. Werknemer vordert het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en werkgever te veroordelen werknemer toe te laten tot de bedongen werkzaamheden.

Oordeel

De kantonrechter overweegt allereerst dat voor zover werknemer de geldigheid van het ontslag betwist omdat het niet onverwijld zou zijn gegeven, die stelling wordt verworpen. Werkgever is op 3 november 2020 geïnformeerd over de werknemer verweten gedragingen. Werkgever heeft werknemer vervolgens op 3 november 2020 geschorst om nader onderzoek te doen en is op 5 november 2020 tot ontslag op staande voet overgegaan. Dat is voortvarend genoeg. Vervolgens stelt de kantonechter vast dat als de werknemer verweten gedragingen als voldoende vaststaand moeten worden aangenomen, die gedragingen zonder meer een dringende reden opleveren die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Het beroep op de persoonlijke omstandigheden van werknemer,  te weten onder meer de lengte van zijn dienstverband, zijn leeftijd, de zorg voor zijn gezin en zijn moeilijke arbeidsmarktpositie mede vanwege fysieke beperkingen, wordt verworpen. De kantonrechter is van oordeel dat met de door werkgever in het geding gebrachte verklaringen van de seksueel geïntimideerde collega en de verklaringen van de teamleider en HR-adviseur voldoende is komen vast te staan dat van (ernstige) seksuele intimidatie sprake is geweest. De verklaringen van de collega zijn gedetailleerd en geven geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen. Voor de stelling van werknemer dat zijn collega, uit een soort ‘wraak’, hem heeft beschuldigd is geen enkele aanwijzing. Hetzelfde geldt voor de suggestie van werknemer dat werkgever van hem af wil. De verzoeken van werknemer worden aldus afgewezen.