Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 februari 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:3125
Vervolg geschil over aangaan overeenkomst door Erasmus MC, waardoor afstand is gedaan van royalty’s en (gepensioneerd) hoogleraar X zijn rechten verloor. X wordt in de gelegenheid gesteld nog te kunnen reageren op de nieuwe stellingen van Erasmus MC en concreet in te gaan op de aspecten van de redenering en berekening.

Feiten

Hoogleraar X is op 1 mei 1972 als werknemer in dienst getreden bij Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (hierna: Erasmus MC). Vanaf 1 februari 1985 is hij het hoofd van afdeling Y. Aan X is vanwege zijn pensionering op 1 maart 2013 eervol ontslag verleend. X heeft samen met dr. B onderzoek verricht. Erasmus MC heeft ter zake van ten minste drie bevindingen patenten verkregen. Voor de uitvoering van verder onderzoek heeft Erasmus MC samengewerkt met Biotempt B.V. (hierna: ‘Biotempt’). X en B hielden een deel van de aandelen in Biotempt. In november 2002 heeft Erasmus MC de door X en B ontwikkelde patenten overgedragen aan Biotempt en kreeg Erasmus MC recht op royalty’s. Omstreeks 2006 is een conflict ontstaan tussen Erasmus MC en Biotempt. In december 2007 heeft Erasmus MC geprobeerd om met Biotempt tot een oplossing te komen in het conflict. Erasmus MC en Biotempt hebben in dat kader een conceptovereenkomst opgesteld die onder meer inhield dat X en B betrokken bleven bij het onderzoek. Nadat X en B daartoe niet bereid bleken, heeft Erasmus MC van het aangaan van de overeenkomst afgezien. In 2013 heeft Erasmus MC een schikking getroffen met Biotempt. Daarbij heeft Erasmus MC afstand gedaan van haar aanspraak op royalty’s. In april 2011 heeft Erasmus MC besloten een onderzoek te starten naar het door X als hoofd van de afdeling Y gevoerde beleid. Op 18 mei 2012 heeft de Commissie Ad Hoc geconcludeerd dat X zich niet schuldig heeft gemaakt aan wetenschappelijk wangedrag. De Commissie Ad Hoc heeft geadviseerd geen nader integriteitsonderzoek in te stellen. In een tussenvonnis van 20 maart is Erasmus MC onder meer veroordeeld tot het verspreiden van een rehabilitatieverklaring en X in de gelegenheid te stellen enkele reprints op te halen. Deze uitspraak spitst zich vooral toe op de vraag of Erasmus MC jegens X onrechtmatig heeft gehandeld door afstand te doen van de royalty’s. In het tussenvonnis hebben partijen de gelegenheid gekregen zich hier nader over uit te laten.

Oordeel

Voor de vraag of Erasmus MC onrechtmatig heeft gehandeld door afstand te doen van de royalty’s gaat het voorts om de te verwachten opbrengsten van de octrooien op het moment van het aangaan van de overeenkomst met Biotempt. Als Erasmus MC onrechtmatig heeft gehandeld jegens X, dan is voor de vraag naar de daardoor veroorzaakte schade, in het bijzonder of te verwachten is dat X daardoor schade wegens gemiste inkomsten uit die octrooien zal lijden, van belang wat op dit moment te verwachten valt aangaande de opbrengsten van die octrooien. Erasmus MC heeft in haar akte van 10 juli 2019 (voor een groot deel voor het eerst) uitvoerig uiteengezet en toegelicht dat en waarom de te verwachten opbrengsten van de octrooien voor X destijds, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, nihil waren en thans evenzeer nihil zouden zijn geweest, ook als zij geen afstand van recht had gedaan. De rechtbank is van oordeel dat als bovenstaande uitgangspunten van Erasmus MC juist zijn, zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en de kans op schade voor X bovendien te klein is om in aanmerking te worden genomen. X heeft echter nog niet kunnen reageren op de nieuwe stellingen van Erasmus MC. Hij mag daarom nog een akte nemen waarin hij – uitsluitend – ingaat op deze stellingen van Erasmus MC. X zal daarbij in het bijzonder concreet moeten ingaan op de aspecten van de redenering en de berekening van Erasmus MC waarmee hij het niet eens is en hij zal – zo veel als mogelijk – moeten uitleggen waarop hij baseert dat het standpunt van Erasmus MC niet juist is. Indien X van oordeel is dat de te verwachten opbrengsten aanzienlijk meer zullen zijn dan € 1,46 miljard dan dient hij eveneens aan te geven waarop hij die inschatting baseert.  Elke verdere beslissing wordt thans aangehouden.