Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 1 april 2021
ECLI:NL:RBLIM:2021:3108
Feiten
Werknemer is sinds 2 juli 1997 in dienst bij Plalloy Mtd B.V. (hierna: Plalloy) in de functie van Logistic Employee tegen een brutoloon van € 2.055 per maand op basis van een voltijds dienstverband. Op 8 oktober 2020 is werknemer na aanvang van zijn werkdag naar huis gegaan met gezondheidsklachten. Op 9 oktober 2020 heeft de bedrijfsarts werknemer telefonisch proberen te bereiken, maar het telefoonnummer bleek niet in gebruik te zijn. Een medewerker van Plalloy heeft werknemer op 13 oktober 2020 bezocht en hem medegedeeld dat hij bereikbaar diende te zijn voor de bedrijfsarts en Plalloy. Bij brief van 16 oktober 2020 heeft Plalloy het loon stopgezet, omdat werknemer, zonder zich af te melden, niet bij de bedrijfsarts was verschenen. Ook op de daaropvolgende afspraak met de bedrijfsarts is werknemer niet verschenen en hij bleek ook voor de arbodienst onbereikbaar toen de verzuimbegeleider op 23 oktober 2020 aanbelde bij het adres van werknemer. Op een verzoek van de arbodienst en op twee brieven van Plalloy, waarbij werknemer een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het vooruitzicht is gesteld, heeft werknemer niet gereageerd. Plalloy heeft vervolgens een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Bij brief van 13 januari 2021 heeft het UWV aan Plalloy medegedeeld dat het niet mogelijk is een deskundigenoordeel af te geven, omdat werknemer niet is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts en hij ook telefonisch onbereikbaar was voor het UWV. Plalloy verzoekt thans de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen van werknemer. Werknemer heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel
Bij de beoordeling van het verzoek van Plalloy is relevant dat werknemer geen verweer heeft gevoerd. De door Plalloy gestelde feiten en de daaraan voor werknemer verbonden rechtsgevolgen heeft hij dus niet betwist. Dat voor ogen houdend komt de kantonrechter tot het oordeel dat Plalloy heeft voldaan aan de voorwaarden voor ontbinding op grond van artikel 7:671b lid 5 BW waardoor de kantonrechter het verzoek zal toewijzen. Het verzoek om de arbeidsovereenkomst met ingang van een eerdere datum te ontbinden dan de datum waarop deze bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, wordt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook toegewezen, evenals het verzoek om voor recht te verklaren dat werknemer geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding, een billijke vergoeding of een andere aanvullende vergoeding.