Naar boven ↑

Rechtspraak

Jamin B.V./werknemer
Hoge Raad (Locatie Den Haag), 27 januari 1989
ECLI:NL:HR:1989:AD0608
Gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen brengt mee dat een onjuiste rechterlijke uitspraak in beginsel niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast.

Feiten

Werknemer is in dienst van Jamin B.V. In 1983 heeft werknemer een ontbindingsverzoek op grond van artikel 1639w (oud) BW ingediend bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen en aan werknemer ten laste van Jamin een ontslagvergoeding toegekend. Jamin heeft in die procedure verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de gevraagde vergoeding; beide partijen gingen uit van het bestaan van een (geldige) arbeidsovereenkomst. De beschikking van de kantonrechter is onherroepelijk. Vervolgens heeft werknemer in de zaak die thans aan de orde is, in eerste aanleg van Jamin betaling gevorderd van een bedrag waarop hij nog aanspraak meent te kunnen maken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Jamin heeft de vordering bestreden en in reconventie onder meer terugbetaling van voormelde ontslagvergoeding geëist, stellende dat de arbeidsovereenkomst nietig is. De rechtbank heeft in hoger beroep die stelling als juist aanvaard, maar geoordeeld dat de eis tot terugbetaling van de door de kantonrechter toegekende vergoeding afstuit op de onherroepelijkheid van diens beschikking. Tegen dit oordeel keert Jamin zich in cassatie.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De onherroepelijkheid van de beschikking van de kantonrechter waarbij aan werknemer ten laste van Jamin een vergoeding is toegekend, heeft tussen partijen tot gevolg dat hetgeen door Jamin ter voldoening aan die beschikking is betaald niet als onverschuldigd betaald aangemerkt en teruggevorderd kan worden, ook al zou de kantonrechter ten onrechte van het bestaan van een geldige arbeidsovereenkomst zijn uitgegaan. Het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen brengt mee dat een onjuiste rechterlijke uitspraak – afgezien van het zeldzame en hier niet aan de orde zijnde geval van het geheel ontbreken van rechtskracht – niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat ook indien geen rechtsmiddel beschikbaar is, de uitspraak tussen partijen rechtskracht heeft. De door het middel voorgestane opvatting dat door het achteraf onjuist blijken van de grondslag waarop de uitspraak berustte daaraan de ’rechtsgrond’ of ‘causa’ is ontvallen zodat de uitspraak partijen niet meer bindt, komt erop neer dat aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zonder aanwending van enig rechtsmiddel de kracht zou kunnen worden ontnomen door in een volgend geding te doen vaststellen dat de grondslag waarop de eerdere uitspraak berustte feitelijk of juridisch onjuist is. Die opvatting is onverenigbaar met bedoeld stelsel. De Hoge Raad verwerpt het beroep.