Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 10 mei 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:2327
Feiten
Werkneemster is sinds 1 april 2012 bij Stichting Radboud universitair medisch centrum (hierna: Radboudumc) in dienst als academisch medisch specialist (internist-oncoloog) op de afdeling Medische oncologie. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao umc van toepassing. Radboudumc heeft werkneemster met ingang van 26 augustus 2019 op non-actief gesteld. In oktober 2019 heeft Radboudumc ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht bij de kantonrechter. Dit verzoek is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen. Bij brief van 27 september 2020 heeft werkneemster Radboudumc verzocht te werken aan haar terugkeer. Op 9 december 2020 is aan werkneemster een plan van aanpak verstrekt. Werkneemster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Vervolgens hebben verschillende gesprekken niet geresulteerd in toelating van werkneemster tot het werk. In dit kort geding vordert werkneemster toelating tot haar werkzaamheden als medisch specialist op de afdeling Medische oncologie, en een rectificatie van Radboudumc.
Oordeel
De kantonrechter overweegt allereerst dat, nu het hof de arbeidsovereenkomst niet heeft ontbonden en heeft overwogen dat van een voldragen d-grond geen sprake is, werkneemster in beginsel toegelaten moet worden tot het verrichten van haar werkzaamheden. De vraag die voorligt, is of Radboudumc voorafgaand daaraan voorwaarden mag stellen in een plan van aanpak. Anders dan Radboudumc meent, is de kantonrechter van oordeel dat werkneemster terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze waarop de kwestie in het plan van aanpak is beschreven, aangezien deze beschrijving nagenoeg volledig uitgaat van de visie van Radboudumc. Ook dit staat immers niet vast en die vraag ligt hier overigens ook niet ter beoordeling voor. Daar waar Radboudumc vasthoudt aan haar standpunt dat het vertrouwen eerst hersteld dient te zijn voordat aan een verbetertraject kan worden toegekomen, vindt de kantonrechter hiervoor in de beschikking van het hof geen aanknopingspunten. Daarbij komt dat uit het plan van aanpak op geen enkele wijze volgt welke actieve bijdrage Radboudumc van haar kant aan dat herstel zal gaan leveren, terwijl dit toch een van de essentialia is voor een herstel van wederzijds vertrouwen. Ook anderszins heeft de kantonrechter geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat Radboudumc aan werkhervatting (en het inzetten van een verbetertraject) de voorwaarde kan verbinden dat eerst het hiervoor genoemde vertrouwen moet worden hersteld. Die voorwaarde kan Radboudumc in redelijkheid niet stellen. Bovendien is het al dan niet in vervulling gaan van de voorwaarde volledig afhankelijk van de subjectieve beleving van een veelheid aan personen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat werkneemster terecht van Radboudumc mag verwachten dat zij weer tot haar werk wordt toegelaten, zonder dat daaraan voorafgaand van werkneemster kan worden verlangd dat zij instemt met het het plan van aanpak zoals dat er nu ligt. Deze toelating zal, mede gelet op het feit dat ook werkneemster heeft erkend dat haar functioneren niet onberispelijk is en dat zij geen bezwaar heeft tegen begeleiding/coaching op zich, geen ongeclausuleerde toelating worden zoals gevorderd. De kantonrechter is in dit verband van oordeel dat passende werkzaamheden onder begeleiding van een onafhankelijke supervisor moeten worden hervat. Wanneer dit gedurende een periode van zes maanden goed is verlopen zal Radboudumc werkneemster weer volledig tot de bedongen werkzaamheden dienen toe te laten. Ook de gevorderde rectificaties worden toegewezen.