Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 mei 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:1385
Feiten
Werknemer is op 17 september 2018 bij TPS in dienst getreden. In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentie- en een relatiebeding opgenomen. Van 17 september 2018 tot 30 juni 2019 is werknemer gedetacheerd bij SVN als kredietacceptant. Vervolgens is hij van 1 juli 2019 tot 31 maart 2020 gedetacheerd bij de Rabobank als CDD-medewerker. Begin 2020 heeft werknemer TPS verzocht om toestemming om rechtstreeks bij Rabobank in dienst te mogen treden. TPS heeft die toestemming gegeven. Werknemer is uiteindelijk niet bij Rabobank in dienst getreden. In juli 2020 is werknemer benaderd door een andere detacheerder, Etage0, om hem als CDD-medewerker te detacheren bij Binck Bank. Werknemer heeft hierover contact gehad met TPS. TPS heeft werknemer uiteindelijk toestemming gegeven om bij Etage0 in dienst te treden, echter met instandhouding van het relatiebeding voor vier klanten: Binck Bank, Triodos Bank, ING Groep en ABN AMRO Groep. Bij brief van 31 augustus 2020 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst met TPS opgezegd per 1 oktober 2020. Op grond van een studiekostenovereenkomst diende werknemer een bedrag van € 1.093,93 aan TPS terug te betalen. Werknemer heeft in eerste aanleg onder andere geheel of gedeeltelijke schorsing van het concurrentie- en relatiebeding gevorderd. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter het concurrentiebeding geschorst, voor zover het werknemer verbiedt bij Etage0 in dienst te treden, alsmede het relatiebeding geschorst behoudens voor zover het ziet op relaties van TPS waar werknemer tijdens zijn dienstverband met TPS gedetacheerd is geweest. TPS komt tegen de beslissingen en daaraan ten grondslag gelegde motivering op.
Oordeel
Niet aannemelijk is geworden dat werknemer gedurende zijn dienstverband bij TPS specifieke kennis heeft opgedaan met betrekking tot de werkwijze, de klanten, de inhoud van contracten met klanten, tarifering, relaties en/of bedrijfsgeheimen van TPS. Evenmin is aannemelijk dat hij over vertrouwelijke informatie beschikt waarmee hij, door deze te delen met de concurrentie, TPS in de bescherming van haar bedrijfsdebiet zou kunnen schaden. Dat TPS door de overstap van werknemer vreest voor een verslechtering van haar specifieke marktpositie doordat het voor haar moeilijker wordt om onervaren medewerkers bij een opdrachtgever te kunnen plaatsen, kan in het kader van deze belangenafweging niet in haar voordeel wegen. Dit valt niet onder het beoogde beschermingsbereik van een concurrentiebeding. Hetzelfde geldt voor de stelling van TPS dat zij heeft geïnvesteerd in werknemer. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat de kosten voor de door TPS aangeboden en door werknemer gevolgde cursussen en trainingen dusdanig hoog zijn dat in redelijkheid niet van TPS kan worden gevergd om deze voor haar rekening te nemen. Daar komt bij dat werknemer op grond van het studiekostenbeding ook al € 1.093,93 aan TPS moet terugbetalen. Het voorgaande brengt het hof voorshands tot het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de bodemrechter zal oordelen dat de in deze zaak door TPS aangevoerde belangen onder de bescherming van het concurrentiebeding vallen. De belangen tegen elkaar afwegend oordeelt het hof voorshands dat het belang van werknemer bij schorsing van het concurrentie- en relatiebeding zwaarwegender is dan het belang van TPS bij handhaving daarvan, en dat werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Het hof acht daarom voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure in die zin zal worden geoordeeld.