Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 2 juni 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:2374
Feiten
Werkneemster is sinds 1 februari 2015 in dienst van werkgeefster. Op 14 oktober 2016 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Zij is tot op heden volledig arbeidsongeschikt. Het UWV heeft haar een IVA-uitkering toegekend. Aan werkgeefster is een loonsanctie opgelegd en zij heeft het loon van werkneemster tot 11 oktober 2019 doorbetaald. Sinds die datum is sprake van een slapend dienstverband. Werkneemster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van de eerst mogelijke datum. Zij voert daartoe aan dat het slapend dienstverband moet eindigen en verwijst ter toelichting naar de Xella-beschikking van de Hoge Raad. Zij heeft tijdens de zitting toegelicht dat de arbeidsrelatie ook ernstig verstoord is geraakt doordat werkgeefster geen enkele invulling heeft gegeven aan de re-integratieverplichting en bovendien stelselmatig weigert aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Werkgeefster is niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend.
Oordeel
De kantonrechter constateert dat sprake is van een slapend dienstverband en een verstoorde arbeidsverhouding. Het is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een verandering van omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst dadelijk dient te eindigen. Het ontbindingsverzoek op de kortst mogelijke termijn wordt daarom ingewilligd. Het bedrag van € 3.972,08 bruto voor niet-genoten vakantiedagen wordt als niet weersproken en op de wet gegrond toegewezen. Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 15.000 bruto aan billijke vergoeding als compensatie voor ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster.