Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 4 juni 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:3017
Feiten
Werkneemster is op 1 juli 2017 bij werkgeefster in dienst getreden als allround schoonheidsspecialiste. In de arbeidsovereenkomst zijn een concurrentie-, een relatie- en een boetebeding opgenomen. Werkneemster heeft op 8 juli 2020 haar arbeidsovereenkomst tegen 1 september 2020 opgezegd. Op 31 juli 2020 heeft zij samen met een vennoot een schoonheidssalon opgericht, op 3 kilometer afstand van de vestiging van werkgeefster. Werkgeefster vordert in kort geding werkneemster te verbieden het concurrentiebeding uit haar arbeidsovereenkomst te overtreden en haar te bevelen haar werkzaamheden en betrokkenheid bij de nieuwe onderneming te staken en gestaakt te houden.
Oordeel
Geldigheid concurrentiebeding
De kantonrechter stelt allereerst vast dat sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is overeengekomen. Het verweer van werkneemster dat zij een dergelijk beding niet is overeengekomen wordt verworpen. Haar stelling dat de handtekening alleen op de laatste pagina van de arbeidsovereenkomst staat, is ontoereikend om te concluderen dat de overgelegde pagina’s 1 tot en met 6 niet bij elkaar horen. Het is bovendien voor de rechtsgeldigheid van de overeenkomst geen vereiste dat op iedere pagina een handtekening staat. De omstandigheid dat voor het concurrentiebeding een andere geldigheidsduur (24 maanden) geldt dan voor het relatiebeding (12 maanden), rechtvaardigt daarnaast niet de conclusie dat deze bedingen tegenstrijdig zijn, zoals werkneemster heeft aangevoerd.
Schending concurrentiebeding
Vast staat dat werkneemster werkzaamheden verricht voor, financieel deelneemt aan en zeggenschap heeft over haar onderneming, die op slechts een kleine 3 kilometer afstand van werkgeefster is gevestigd en aldus onder de territoriale werking van het concurrentiebeding valt. Daarnaast is de kantonrechter voorshands van oordeel dat in dit geval in ieder geval sprake is van gelijksoortige of aanverwante werkzaamheden, zoals omschreven in het concurrentiebeding. In de gegeven omstandigheden, waarin werkneemster na een tijd stage te hebben gelopen bij werkgeefster daar in dienst is getreden en vervolgens nog tijdens haar dienstverband op slechts 3 kilometer afstand van haar ex-werkgever een eigen schoonheidssalon opricht en daar gelijksoortige activiteiten ontplooit, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat sprake is van schending van het concurrentiebeding. De kantonrechter acht het voorts voldoende aannemelijk dat werkgeefster door het handelen van werkneemster in haar bedrijfsdebiet wordt geschaad. Werkneemster heeft haar belang – anders dan dat haar vrienden en kennissen in die stad wonen en haar compagnon hun bedrijf graag daar wilde vestigen – verder niet concreet onderbouwd. De kantonrechter vindt het te beschermen belang van werkgeefster in dit geval zwaarder wegen dan dat van werkneemster. Mede gelet op de aard van de onderneming acht zij voorshands echter wel aannemelijk dat de bodemrechter het beding qua territoriale werking en duur in enige mate zal beperken en aldus gedeeltelijk zal vernietigen. De eerste vordering van werkgeefster komt daardoor niet voor toewijzing in aanmerking. Wel beveelt de kantonrechter werkneemster om haar werkzaamheden en betrokkenheid bij en haar zeggenschap over haar eigen onderneming te staken en gestaakt te houden, totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.