Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 8 juni 2021
ECLI:NL:RBNNE:2021:2295
Feiten
Werknemer is bij werkgeefster in dienst geweest als schilder. Op 19 oktober 2020 is werknemer tijdens het werk een ongeval overkomen, toen hij in het kader van zijn werk wanden/plafonds aan het voorstrijken (stuc primen) was in een pand (hierna ook: de bouwplaats). Werknemer is toen ten val gekomen. Hij stond op dat moment op een huishoudtrap die hij bovenop het werkplatform van een verrolbare kamersteiger had geplaatst. Er waren op het moment van het ongeval geen andere personen op de bouwplaats aanwezig. Werknemer heeft bij het ongeval zijn sleutelbeen gebroken, hij is geopereerd en opgenomen geweest in het ziekenhuis. Werkgeefster heeft op 10 november 2020 het ongeval gemeld bij de Inspectie SZW. De Inspectie SZW is op 19 november 2020 een onderzoek gestart en heeft daarvan op 4 maart 2021 een rapport uitgebracht. In deze procedure vordert werknemer voor recht te verklaren dat werkgeefster jegens hem aansprakelijk is ter zake van het door hem op of omstreeks 19 oktober 2020 opgelopen letsel.
Oordeel
Ter discussie staat of werkgeefster ingevolge artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade. De kantonrechter is, anders dan werkgeefster heeft betoogd, van oordeel dat geen sprake is van een beperkt veiligheidsrisico als er op hoogte wordt gewerkt. Dat het een eenvoudige en kleine klus was, speelt bij dat oordeel geen rol. Ook de (ongedateerde) RI&E van werkgeefster duidt er niet op dat er sprake was van een beperkt risico. Dit brengt mee dat op werkgeefster de plicht rustte om voldoende maatregelen te nemen om een ongeval als hier aan de orde te voorkomen. Dergelijke maatregelen heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter niet (voldoende) genomen. Zo blijkt uit het rapport van de Inspectie SZW dat er geen toezicht was op de bouwplaats ten tijde van het ongeval, dat de RI&E van werkgeefster onvolledig was en dat werkgeefster geen veilige werkwijze had ontwikkeld ten aanzien van het werken op een rolsteiger. Daarom wordt aangenomen dat werkgeefster werknemer niet voldoende heeft geïnstrueerd. Voorts heeft werkgeefster aangevoerd dat werknemer een ervaren en gecertificeerde werknemer was die zelf wel wist hoe hij veilig moest werken. Als dit al zou kloppen, doet dit niet af aan de zorgplicht van werkgeefster. Nu de conclusie is dat werkgeefster in haar verplichting tot het treffen van voldoende veiligheidsmaatregelen is tekortgeschoten, moet causaal verband tussen dit tekortschieten en het ongeval aanwezig worden geacht. Tot slot heeft werkgeefster aangevoerd dat sprake is geweest van bewuste roekeloosheid bij werknemer. De kantonrechter overweegt hieromtrent dat, ook als zou komen vast te staan dat werknemer enkele maanden voor het ongeval al eens werd gewaarschuwd wegens het onstabiel neerzetten van een steiger, dit nog niet meebrengt dat hij op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ongeval zich bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag bestaande uit het plaatsen van een huishoudtrap op de steiger. Dit klemt temeer nu – kennelijk – de door werkgeefster genoemde hulpmiddelen (lange ladder, telescoopstok) waarmee werknemer wel veilig had kunnen werken niet op de bouwplaats aanwezig waren. Het is juist werkgeefster die als werkgever verplicht is ervoor te zorgen dat de juiste materialen om veilig te werken op de bouwplaats aanwezig zijn. Werkgeefster kan dan ook niet met succes aan werknemer tegenwerpen dat hij zelf om bepaalde hulpmiddelen had moeten vragen. Andere feiten of omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de gevolgtrekking dat sprake is geweest van bewuste roekeloosheid zijn niet gesteld. De kantonrechter komt daarmee tot de conclusie dat van bewust roekeloos handelen geen sprake is geweest en dat werkgeefster aansprakelijk is tegenover werknemer voor de schade die het gevolg is van het ongeval.