Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 9 juni 2021
ECLI:NL:RBOBR:2021:2584
Feiten
Werknemer is sinds 3 april 2017 via Randstad Resource Zakelijk B.V. op grond van een detacheringsovereenkomst als logistiek medewerker bij DAF Trucks N.V. (hierna: DAF) tewerkgesteld. Op 22 november 2017 is werknemer op de werkvloer onwel geworden. Hij had last van hoofdpijn en duizeligheid, waarna hij op advies van een collega is gaan zitten. Een andere collega heeft vervolgens gezien dat werknemer ongeveer een minuut later weer is gaan staan en vervolgens voorover is gevallen, waarbij hij met zijn hoofd op de grond is terechtgekomen. Werknemer is na het ongeval per ambulance naar het ziekenhuis afgevoerd en is tot en met 26 november 2017 op de Intensive Care opgenomen geweest in verband met een epiduraal hematoom rechts pariëtaal. Op 5 december 2017 is werknemer uit het ziekenhuis ontslagen. De (medisch adviseur van de) ongevallenverzekering van DAF heeft de mate van blijvende invaliditeit vastgesteld op 8%. Bij brief van 7 juli 2020 is DAF aansprakelijk gesteld voor de door werknemer, ten gevolge van het ongeval, geleden schade. Bij brief van 4 september 2020 heeft Zurich, in haar hoedanigheid van bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar van DAF, de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval ontkend. Werknemer verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat DAF aansprakelijk is voor alle door hem als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, primair op basis van artikel 7:658 BW, nu het ongeval zich heeft voorgedaan onder werktijd op het terrein van DAF. Zurich stelt dat de schade niet is opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden en daardoor geen aansprakelijkheid bestaat voor de schade. Daarnaast zou DAF ook haar zorgplicht niet hebben geschonden.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat de schade is geleden ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’, omdat het ongeval op de werkvloer en onder werktijd heeft plaatsgevonden. Nu DAF niet heeft aangevoerd dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid, staat (enkel) nog ter beoordeling of DAF aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt dat DAF in voldoende mate aan de verplichtingen uit de Arbeidsomstandighedenwet heeft voldaan, aangezien meerdere bedrijfshulpverleners op de locatie aanwezig waren en een interne regeling, ‘De Wegwijzer’, binnen haar bedrijf van toepassing is. In ‘De Wegwijzer’ is geregeld dat bij een bedrijfsongeval hulpverlening dient te worden ingeschakeld en ook is de wijze geregeld waarop de deskundigenbijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening is ingericht. DAF heeft onweersproken gesteld dat deze regeling aan alle medewerkers ter beschikking is gesteld. Dat de medewerkers van DAF doeltreffend zijn ingelicht, blijkt ook uit het feit dat de collega’s die betrokken waren bij het ongeval in overeenstemming met de bepaling omtrent een bedrijfsongeval hebben gehandeld. Werknemer voert ook nog aan dat de interne regeling geen bepaling bevat waarin alle medewerkers worden geïnformeerd over de symptomen van flauwvallen en op welke wijze dat kan worden voorkomen. De kantonrechter volgt werknemer hierin niet, nu de Arbeidsomstandighedenwet niet zo moet worden begrepen dat deze een verplichting inhoudt om alle medewerkers medisch te scholen. Deze scholing is voorbehouden aan bedrijfshulpverleners. Ook is niet gebleken dat DAF anderszins haar zorgplicht heeft geschonden. Voor werkgevers geldt niet (in alle gevallen) de verplichting om een bedrijfshulpverlener te (laten) raadplegen bij de enkele mededeling dat sprake is van hoofdpijn en duizeligheid. In dit geval had voor collega’s niet redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat directe medische hulp diende te worden ingeschakeld ter voorkoming van schade aan de gezondheid van werknemer. Op grond van de enkele mededeling van werknemer dat hij last had van hoofdpijn en duizeligheid was niet te voorzien dat hij snel van zijn stoel zou opstaan en vervolgens zou flauwvallen. Niet iedere duizeligheid leidt immers tot flauwvallen. Dit temeer gelet op de nog jonge leeftijd van werknemer en het feit dat er geen medische voorgeschiedenis was die aanleiding gaf om (direct) medische hulpverlening in te schakelen. De collega’s hebben adequaat gehandeld door hem aan te raden te gaan zitten. Voor hen was niet te voorzien dat werknemer al na ongeveer een minuut weer zou opstaan. De stelling van werknemer dat DAF haar zorgplicht heeft geschonden, omdat de medewerkers van DAF hem hadden moeten begeleiden naar buiten voor frisse lucht en/of een ruimte met een zachtere vloer, wordt verworpen. Gesteld noch gebleken is dat in de ruimte een gebrek was aan frisse lucht en gaan zitten was in deze situatie een adequate reactie. Daarnaast zat er zeer weinig tijd tussen het moment van mededelen van de klachten en het moment van flauwvallen. Alles bij elkaar genomen is niet komen vast te staan dat DAF haar zorgplicht heeft geschonden, waardoor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW ontbreekt. Aangezien artikel 7:658 BW van toepassing is, wordt, gelet op de exclusieve werking, een beroep op artikel 7:611 BW verworpen.