Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Call Cogens B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 17 juni 2021
ECLI:NL:RBLIM:2021:4890
Rechtsverhouding partijen werd beheerst door ‘stageovereenkomst’ (in werkelijkheid een overeenkomst van opdracht) en niet door een arbeidsovereenkomst. Door opdrachtnemer overgelegde arbeidsovereenkomst mogelijk vervalst. Afwijzing loonvordering in kort geding.

Feiten

De heer X, die in het verleden advocaat is geweest en thans werkzaamheden verricht als jurist, is met ingang van 16 januari 2020 (juridische) werkzaamheden gaan verrichten voor Cogens Advocaten. De bedongen werkzaamheden behelsden dat X op urenbasis zelfstandig klantendossiers behandelde. De door X verrichte werkzaamheden en gemaakte uren werden via het bedrijf van X gefactureerd. Partijen hebben de gemaakte afspraken de vorm gegeven van een stageovereenkomst, nu de Orde van Advocaten niet toestaat dat een advocatenkantoor een samenwerkingsverband aangaat met een jurist die niet de advocatenstatus heeft of daarvoor stage loopt. Partijen zijn het erover eens dat deze overeenkomst de werkelijkheid geweld aandoet. Op enig moment zijn tussen partijen fricties ontstaan over de wijze van uitoefening van de werkzaamheden en/of de kwaliteit ervan, zodat Cogens medio december 2020 heeft besloten de samenwerking per 1 januari 2021 niet voort te zetten. X vordert in kort geding wedertewerkstelling, doorbetaling van loon en betaling van een totaalbedrag van € 143.125,13 (bruto) aan achterstallig loon. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen tussentijds – op 29 april 2020 – een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten en hij legt deze (vermeende) arbeidsovereenkomst als productie over. Cogens betwist dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en vordert van haar kant veroordeling van X tot teruggave van een laptop, een alarmdruppel, kantoorsleutels en een dicteerapparaat.

Oordeel

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft X in de verste verte niet aannemelijk gemaakt dat partijen op 29 april 2020 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan ter vervanging van een lopende overeenkomst van opdracht die tot einde 2020 onbetwist is voortgezet. Cogens heeft uitgebreid en gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van X. Zo heeft Cogens onder meer aangevoerd dat X naar eigen zeggen terminaal ziek is en dat zij er dus niet over gepeinsd zou hebben hem in dienst te nemen. Tevens maakt Cogens aannemelijk dat X in de salarisadministratie van Cogens niet als werknemer voorkomt. Daarbij komt dat de aan de functie gekoppelde beloning van € 7.500 per maand (volgens de vermeende arbeidsovereenkomst), welke beloning X thans meent te kunnen claimen, in het bewuste stuk afhankelijk is gesteld van een te behalen verwachte jaaromzet van € 180.000. Voor zover dat artikel al tussen partijen zou hebben te gelden, heeft X nagelaten aan te tonen dat hij die jaaromzet ooit behaalde. Tot slot heeft de enig directeur en aandeelhouder van Cogens ter zitting pertinent betwist het door X overlegde stuk op 29 april 2020 ondertekend te hebben. Niet voor niets heeft Cogens hierin reden gevonden om aangifte te doen van onder meer valsheid in geschrifte, aldus Cogens. Gelet op het voorgaande is, zonder nadere toelichting en/of onderbouwing van X, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter het daadwerkelijk bestaan van een mogelijk zelfs vervalste arbeidsovereenkomst verre van aannemelijk geworden. Daar komt nog bij dat X op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij sinds mei 2020 daadwerkelijk is ingezet in de in de arbeidsovereenkomst omschreven functie. Het moet ervoor worden gehouden dat de onderlinge verhoudingen tussen partijen steeds beheerst zijn gebleven door de ‘stageovereenkomst’ (in werkelijkheid een overeenkomst van opdracht), die van rechtswege eindigde op 31 december 2020. De vorderingen van X worden afgewezen. X wordt veroordeeld de bedrijfseigendommen van Cogens te retourneren.