Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Securitas Beveiliging B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 22 juni 2021
ECLI:NL:GHDHA:2021:1084
Ontbindende voorwaarde in arbeidsovereenkomst in verband met intrekking toestemming tot beveiligingswerkzaamheden is geldig in vervulling gegaan doordat de toestemming van werknemer is ingetrokken na verdenking van betrokkenheid bij criminele activiteiten.

Feiten

Op 26 november 2019 is aan werknemer toestemming in de zin van artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus verleend om beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van Securitas te verrichten en hij is op 8 januari 2020 bij Securitas in dienst getreden. In de arbeidsovereenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen voor het geval de toestemming voor het uitoefenen van de functie van overheidswege is ingetrokken of niet wordt verlengd. Werknemer is vanaf 8 januari 2020 tewerkgesteld bij een containerbedrijf in de Rotterdamse haven. Twee collega’s van werknemer zijn verdacht van betrokkenheid bij criminele activiteiten in de Rotterdamse haven en op 20 juli 2020 is ook werknemer aangehouden. Securitas heeft werknemer naar aanleiding van de aanhouding vrijgesteld van zijn verplichtingen met behoud van salaris. Bij besluit van 7 augustus 2020 is de aan werknemer verleende toestemming tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden door de korpschef ingetrokken. Securitas heeft werknemer bij brief van 13 augustus 2020 meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 12 augustus 2020 van rechtswege is geëindigd omdat door het intrekken van de toestemming op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de ontbindende voorwaarde uit de arbeidsovereenkomst is ingetreden. Bij brief van 5 september 2020 heeft de officier van justitie aan werknemer bericht dat hij niet zal worden vervolgd. In eerste aanleg zijn de verzoeken van werknemer afgewezen. In hoger beroep verzoekt werknemer opnieuw vernietiging van de ontbindende voorwaarde.

Oordeel

Het hof komt tot de conclusie dat de onderhavige ontbindende voorwaarde rechtsgeldig moet worden geoordeeld. Het is niet in geschil dat de onderhavige voorwaarde een uitvloeisel is van artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Op grond van dit artikel is het een beveiligingsorganisatie verboden om personen te werk te stellen die niet beschikken over de daarvoor vereiste toestemming van de korpschef. Het gaat hier om een waarborg voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van beveiligingsorganisaties. In het licht van deze doelstelling is het verdedigbaar dat een beveiligingsorganisatie een arbeidsovereenkomst die zij aangaat met een werknemer zó inricht, dat de aan haar bekend geworden intrekking van de vereiste toestemming de desbetreffende arbeidsovereenkomst van rechtswege doet eindigen. Het hof voegt hieraan toe dat omstandigheden die ertoe leiden dat de eerder verleende toestemming wordt ingetrokken, in de regel voor rekening van de werknemer zullen komen. Ook daarom kan niet worden aangenomen dat de ontbindende voorwaarde niet is te verenigen met het wettelijk stelsel van het ontslagrecht. De sepotbeslissing van het OM staat niet in de weg aan de rechtsgeldigheid van de ontbindende voorwaarde. Werknemer miskent dat dit sepot onverlet laat dat hij niet meer beschikte over de toestemming van de korpschef. Dat het sepot van belang is geweest bij de beslissing van de korpschef om de beslissing tot intrekking te herroepen, brengt daarin geen verandering. In de eerste plaats was de motivering van het besluit tot intrekking voor Securitas destijds niet kenbaar. In de tweede plaats volgt uit de motivering van dit besluit dat bij de intrekking heeft meegewogen dat werknemer de criminele en/of strafbare handelingen van zijn collega’s niet heeft gemeld bij zijn leidinggevende. Werknemer heeft weliswaar gesteld dat hem dat niet zwaar kan worden aangerekend, maar de korpschef heeft het gedrag van werknemer kennelijk anders gewaardeerd. Zelfs indien Securitas destijds bekend zou zijn geweest met de motivering van het besluit tot intrekking, kan op grond hiervan niet worden aangenomen dat een verzoek tot herroeping van dat besluit na het sepot voor werknemer een gelopen race was. Ook andere omstandigheden waarop werknemer een beroep heeft gedaan, kunnen niet verhinderen dat de ontbindende voorwaarde in vervulling is gegaan en kunnen hem ook overigens niet baten. Hoewel het hof begrijpt dat de situatie voor werknemer ingrijpend is geweest, ziet het hof geen juridische aanknopingspunten zijn grieven te honoreren.