Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13 maart 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:6759
Aanzegging dat arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd is niet geconverteerd in een opzegging van een arbeidsovereenkomst. Loonvordering toegewezen, vordering omtrent toeslagen en verblijfskosten afgewezen.

Feiten

Werknemer is op 19 mei 2015 als allround chauffeur in dienst getreden van X. Op 19 december 2015 is werknemer in dienst getreden bij werkgeefster voor de duur van twaalf maanden. Deze arbeidsovereenkomst is per 19 december 2016 verlengd voor de duur van twaalf maanden. Op de arbeidsovereenkomsten zijn, onder meer, de bepalingen van de Cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen 2017-2020 (hierna: de TLN-cao) van toepassing. Bij brief van 17 november 2017 heeft werkgeefster aan werknemer medegedeeld dat zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst op 19 december 2019 afloopt en niet zal worden verlengd. Bij brief van 8 december 2017 stelt werknemer zich op het standpunt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en maakt hij voorts aanspraak op uitbetaling van toeslagen conform de TLN-cao. In een reactie op 12 december 2017 herhaalt werkgeefster haar standpunt. Werknemer heeft sinds 19 december 2017 geen werkzaamheden voor werkgeefster verricht. In deze procedure vordert werknemer wedertewerkstelling en (door)betaling van (achterstallig) salaris, toeslagen en verblijfskosten.

Oordeel

In het licht van het toetsingskader van de Hoge Raad overweegt de kantonrechter het volgende. Werkgeefster heeft in deze procedure weliswaar te kennen gegeven dat de vraag of tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geen geschilpunt meer is, maar dat neemt niet weg dat werkgeefster ten tijde van de aanzegging ervan overtuigd was dat sprake was een dienstverband voor bepaalde tijd dat op 18 december 2017 afliep. In haar brief van 17 november 2017 heeft werkgeefster dus onmiskenbaar bedoeld te voldoen aan haar verplichting uit hoofde van artikel 7:668 lid 1 BW. Die verplichting heeft een ander karakter dan de opzegging. Ook in haar brief van 28 november 2017 meldt werkgeefster dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. De stelling van werkgeefster dat zij in haar brief van 17 november 2017 niet slechts heeft aangegeven dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd, maar ook in niet mis te verstane bewoordingen aan werknemer heeft bevestigd dat het dienstverband werd beëindigd, volgt de kantonrechter dan ook niet. Al aangenomen dat werkgeefster bedoeld zou hebben ook een eventueel dienstverband voor onbepaalde tijd te beëindigen, dan valt niet in te zien waarom zij in haar brief van 12 december 2017 – in reactie op de suggestie van werknemer in zijn brief van 8 december 2017 dat sprake zou zijn van een dienstverband voor onbepaalde tijd – dit uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. Gelet op deze duidelijke (en niet voor een andere uitleg vatbare) stellingname van werkgeefster ziet de kantonrechter niet in dat werknemer er desondanks op bedacht had moeten zijn dat de brief van 17 november 2017 óók een opzegging (zonder zijn instemming of toestemming) inhield. De aanzegging van werkgeefster is derhalve niet geconverteerd in een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is dus niet rechtsgeldig geëindigd door een opzegging van de zijde van werkgeefster en loopt nog door. Werknemer heeft recht op loon(door)betaling vanaf 19 december 2017. De kantonrechter overweegt dat de gevolgen van de niet adequate mededeling door werkgeefster voor haar eigen rekening en risico dienen te komen. Dat er daardoor een ‘wanverhouding’ zou bestaan tussen de periode dat werknemer feitelijk werkzaamheden voor werkgeefster heeft verricht en de periode waarover thans loon moet worden (door)betaald doet daar niet aan af. Gelet hierop zullen de loonvordering en de nevenvordering worden toegewezen. Tot slot stelt werknemer zich op het standpunt dat vanaf datum indiensttreding het loon, de toeslagen en de verblijfskostenvergoeding niet correct zijn uitbetaald. De kantonrechter is echter van oordeel dat werknemer in het licht van de gemotiveerde betwisting van werkgeefster deze onderdelen van zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Omdat werkgeefster concrete aanmerkingen heeft op deze berekening en, met inachtneming van die aanmerkingen, een eigen berekening heeft gemaakt en aan de hand daarvan bedragen heeft uitbetaald aan werknemer, lag het op de weg van werknemer hierop een concrete reactie te geven, hetgeen hij niet heeft gedaan. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.