Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 30 juli 2021
ECLI:NL:RBZWB:2021:3917
Feiten
Op 2 september 2019 is werkneemster bij werkgeefster in dienst getreden als juridisch medewerker. Vanaf 14 februari 2020 is werkneemster bij werkgeefster, werkzaam als advocaat-stagiaire op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst zijn afspraken opgenomen over de vergoeding en terugbetaling van de kosten voor de Beroepsopleiding Advocaten. Eind maart 2021 heeft werkgeefster, tevens haar patroon, aan werkneemster medegedeeld dat het kantoor niet verder met haar wil omdat zij niet secuur werkt. Op 3 mei 2021 heeft werkneemster in een gesprek met werkgeefster medegedeeld dat zij wil blijven werken bij werkgeefster. Als reactie hierop heeft de heer X werkgeefster medegedeeld niet verder te willen met werkneemster, dat haar loon zal worden opgeschort en de nota van de beroepsopleiding niet wordt betaald. Werkneemster is na afloop van voornoemd gesprek naar het Bureau van de Orde van Advocaten in Oost-Brabant (hierna: de orde) gereden en heeft daar een bespreking gehad met de deken, waar werkgeefster zich later ook bij heeft gevoegd. Tijdens de bespreking is gesproken over de taalvaardigheid en het niet secuur werken van werkneemster alsmede het sluiten van een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst is geen overeenstemming bereikt. Bij e-mail van 10 mei 2021 heeft werkneemster aan werkgeefster medegedeeld het niet eens te zijn met de loonopschorting. Op 17 mei 2021 heeft werkgeefster aan werkneemster verzocht om haar sleutels van het kantoor in te leveren en het kantoor te verlaten omdat haar aanpassingen op het verslag van de deken volgens haar in strijd met de waarheid zijn. Bij brief van 18 mei 2021 heeft werkgeefster aan werkneemster medegedeeld dat haar reactie aan de deken op het verslag, die in strijd met de waarheid is, een dringende reden geeft om de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen en het loon per 3 mei 2021 wordt opgeschort. Bij brief van 23 mei 2021 heeft werkgeefster aan werkneemster medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd/ontbonden omdat zij haar gemakzucht en gebrek aan taalvaardigheid niet bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst heeft medegedeeld. Op 28 juni 2021 heeft werkneemster een verzoek tot schrapping van het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna ook: de orde) gedaan per 1 juli 2021 in verband met een andere baan als jurist, welke de orde geëffectueerd heeft per 2 juli 2021. Werkgeefster verzoekt onder meer een verklaring voor recht dat terecht het loon is opgeschort en werkneemster een deel van de opleidingskosten dient terug te betalen. Werkneemster stelt zich onder meer op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd en verzoekt bij wijze van tegenverzoek ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een transitievergoeding, billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding,
Oordeel
Einde arbeidsovereenkomst op grond van een ontbindende voorwaarde en/of wilsgebreken
Het niet hebben van een inschrijving als advocaat op het tableau is tussen partijen niet als ontbindende voorwaarde voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst overeengekomen. De kantonrechter is van oordeel dat ‘gebrek aan taalvaardigheid’ en ‘gemakzucht’ kwalificaties zijn die werkgeefster thans zelf geeft aan werkneemster en ter zake daarvan had werkneemster vanzelfsprekend geen mededelingsplicht bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Het beroep van werkgeefster op de wilsgebreken faalt en is geen grond voor buitengerechtelijke vernietiging.
Ontbinding op verzoek van werkneemster
De kantonrechter kan zich voorstellen dat de door werkneemster gemaakte fouten tot frustraties hebben geleid bij werkgeefster nu er kennelijk onvoldoende verbetering optrad ondanks haar correcties en begeleiding als patroon. Loonopschorting is echter een zeer drastische maatregel en het niet naar tevredenheid verrichten van werkzaamheden gaf werkgeefster geen grond voor loonopschorting. De mededeling van werkgeefster in mei 2021 aan werkneemster dat de nota van de beroepsopleiding niet zal worden betaald, is ook geheel ten onrechte gedaan. Werkgeefster had zich immers contractueel verbonden deze te voldoen. Daarnaast gaf de door werkneemster aangebrachte correctie/reactie op het verslag ook geen rechtvaardiging voor het ontzeggen van toegang tot de werkplek. De reactie van werkgeefster was buiten proportie, ook als werkneemster in het gesprek van 3 mei 2021 erkend mocht hebben dat zij gemakzuchtig is en dat later ontkende. Het voornoemde handelen van werkgeefster is te kwalificeren als ernstig verwijtbaar en hierdoor is een verstoorde arbeidsrelatie ontstaan. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is daarmee het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster. Gelet op het ernstig verwijtbare handelen en alle overige in aanmerking te nemen omstandigheden, acht de kantonrechter in dit geval een vergoeding van € 2.500 bruto redelijk. Gezien de omstandigheid dat werkneemster vanaf 1 juli 2021 niet meer beschikbaar is voor werkzaamheden bij werkgeefster, komt het de kantonrechter niet billijk voor om aan werkneemster de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:671c lid 3 BW toe te kennen.
Opleidingskosten
Werkgeefster heeft ten onrechte het loon van werkneemster stopgezet waardoor het begrijpelijk is dat zij een andere baan heeft gezocht om in haar inkomensbehoefte te voorzien. Nu niet betwist is dat werkneemster sollicitaties heeft verricht voor de functie van advocaat-stagiaire, maar die niet succesvol waren, heeft zij haar toevlucht moeten zoeken in een andere functie. Voor het verrichten van die andere functie was het noodzakelijk dat zij zich liet uitschrijven van het tableau, zoals ook blijkt uit de mededeling in de brief van de deken, welke mededeling werkgeefster ter zitting heeft onderschreven. Gelet daarop en omdat het uitschrijven van het tableau vooral was ingegeven door handelen van werkgeefster is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om werkneemster aan terugbetaling van de opleidingskosten te houden, zodat het verzoek van werkgeefster tot terugbetaling van opleidingskosten zal worden afgewezen.