Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 4 augustus 2021
ECLI:NL:RBLIM:2021:6258
Feiten
Werknemer is op 1 augustus 2019 in dienst getreden bij Bomacon B.V. Op de arbeidsovereenkomst is de cao metaalbewerkingsbedrijf van toepassing. Op 17 maart 2021 heeft werknemer aan Bomacon schriftelijk laten weten dat hij per 1 april 2021 zijn dienstverband opzegt in verband met het aanvaarden van een nieuwe baan. Bomacon heeft als reactie hierop aan werknemer laten weten dat een opzegtermijn van een hele maand in acht moet worden genomen en de opzegging per 1 mei 2021 geldt. Vanaf 1 april 2021 heeft werknemer geen werkzaamheden meer verricht voor Bomacon. Hij heeft schriftelijk aan Bomacon laten weten dat hij per direct moet stoppen met werken bij Bomacon, omdat Bomacon niet wil meewerken aan zijn verzoek tot het opnemen van verlof hetgeen tot gevolg heeft dat hij niet op tijd bij zijn nieuwe werkgever kon beginnen. Bomacon heeft daarop aan werknemer onder meer schriftelijk laten weten dat zij niet akkoord gaat met zijn vertrek per 1 april 2021, werknemer daarmee contractbreuk pleegt en Bomacon als gevolg daarvan schade lijdt. In deze procedure verzoekt Bomacon betaling van een gefixeerde schadevergoeding. Werknemer heeft bij wijze van tegenverzoek gevraagd om Bomacon te veroordelen tot betaling van het openstaande loon over april 2021.
Oordeel
Vast staat dat werknemer de arbeidsovereenkomst in eerste instantie per 1 april 2021 heeft opgezegd (dus onregelmatig) en dat na een gesprek tussen partijen deze datum in samenspraak is gewijzigd in 1 mei 2021 (hetgeen schriftelijk bevestigd is aan werknemer door Bomacon). Nu Bomacon heeft ingestemd met deze wijziging is een regelmatige opzegging tot stand gekomen. Bomacon heeft derhalve terecht geconcludeerd dat de onregelmatige opzegging is ingetrokken, en deze is vervolgens omgezet in een regelmatige opzegging per 1 mei 2021. Tot zover is er dus geen sprake van schadeplichtigheid aan de zijde van werknemer. De vraag is echter nu of het feit dat werknemer per 1 april 2021 heeft besloten niet meer te verschijnen op het werk leidt tot schadeplichtigheid. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. In feite heeft werknemer zijn dienstverband met onmiddellijke ingang opgezegd. Beoordeeld dient dan ook te worden of deze opzegging per 1 april rechtsgeldig is. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. Werknemer had de arbeidsovereenkomst enkel onverwijld kunnen opzeggen wegens een dringende reden. Naar het oordeel van de kantonrechter is de weigering van werknemers verzoek om verlof op te nemen en het als gevolg daarvan verliezen van zijn nieuwe baan, geen dringende reden voor ontslag. De vrees om zijn nieuwe baan te verliezen kan niet als dringende reden gelden. De door werknemer gemaakte afspraken met zijn nieuwe werkgever komen voor zijn rekening en risico. Nu geen sprake is van een dringende reden, is werknemer schadeplichtig. In het feit dat de arbeidsovereenkomst eerder per 1 mei 2021 is opgezegd en dus per die datum eindigt, ziet de kantonrechter aanleiding de schadevergoeding vast te stellen op één maandloon in plaats van de door Bomacon gestelde twee maandlonen. De kantonrechter stelt tot slot vast dat, omdat het dienstverband per 1 mei 2021 is geëindigd, Bomacon verplicht is een eindafrekening op te maken en te betalen, waarin in elk geval de vakantietoeslag en openstaande verlofdagen meegenomen zijn. Wat betreft het loon over de maand april 2021 is de kantonrechter van oordeel dat werknemer daar geen recht op heeft. De laatste zin van artikel 7:628 BW is van toepassing. Het niet verrichten van arbeid door werknemer in de maand april komt gelet op al het voorgaande dus voor rekening van werknemer, zodat Bomacon niet verplicht is het loon over april 2021 te betalen.