Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 30 juli 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:4317
Ontslag op staande voet ingetrokken door werkgeefster. Dat de vaststellingsovereenkomst ‘er op enkele puntjes na goed uit ziet’ is onvoldoende om aan te nemen dat werkneemster daarmee heeft ingestemd. Ook geen sprake van voorwaardelijke intrekking ontslag op staande voet. Loonvordering werkneemster toegewezen, tenzij bepaling van 7:628 BW gaat niet op.

Feiten

Werkneemster is op 1 januari 2018 in dienst getreden bij werkgeefster en werkte laatstelijk in de functie van verzorgende IG in opleiding en administratief medewerkster. Op 7 januari 2021 heeft werkneemster zich ziek gemeld na een positieve coronatest. Bij brief van 14 januari 2021 is werkneemster op staande voet ontslagen met als reden ‘het meerdere malen weigeren te communiceren met werkgeefster, zodat geen contact kon worden gelegd’. Dit is door werkgeefster uitgelegd als werkweigering. Per e-mailbericht van 8 februari 2021 heeft werkgeefster het ontslag ingetrokken. Op 11 februari is een vaststellingsovereenkomst aangeboden aan werkneemster, waarop is geantwoord dat het ‘er op enkele puntjes na redelijk uit ziet’. De sleutel van de bedrijfsauto is door werkgeefster op 22 februari 2021 opgehaald. Op 18 maart 2021 heeft de gemachtigde van werkneemster bij e-mail aan werkgeefster laten weten dat werkneemster niet zal verschijnen op de afspraak van 19 maart 2021, vanwege vergaande bedreigingen en uitlatingen van werkgeefster jegens werkneemster en haar echtgenoot. Zij voelt zich niet veilig en is gezien haar psychische gesteldheid niet klaar om met werkgeefster aan tafel te zitten. Ook is verzocht het loon van de maand februari 2021 binnen drie dagen over te maken. Werkgeefster geeft hierop aan dat de vervaltermijn is verstreken, omdat de arbeidsovereenkomst per 14 januari 2021 is beëindigd. Vervolgens heeft de gemachtigde van werkneemster meerdere e-mails verstuurd waarin is gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet (rechtsgeldig) is beëindigd en waarin wederom is verzocht tot betaling van het loon. Hieraan is geen gehoor gegeven. Werkneemster verzoekt de kantonrechter bij kort geding werkgeefster te veroordelen tot betaling van het verschuldigde salaris van € 1.117,35 (bruto) per maand. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat de tussen haar en werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst niet is geëindigd.

Oordeel

Werkgeefster voert allereerst aan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd doordat is ingestemd met de vaststellingsovereenkomst. Het e-mailbericht waarin wordt aangegeven dat het ‘er op enkele puntjes na redelijk uit ziet’ kan naar het oordeel van de kantonrechter echter niet worden aangemerkt als een akkoord. De kantonrechter acht het daarom voorshands niet aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Dat werkneemster overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst de sleutels van de bedrijfsauto heeft ingeleverd, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat ook werkgeefster kennelijk niet is uitgegaan van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, nu zij niet is overgegaan tot het opstellen van een eindafrekening en uitbetaling van de in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedragen en werkneemster nog heeft uitgenodigd voor een gesprek op 19 maart 2021. Werkgeefster stelt ook dat sprake is geweest van een voorwaardelijke intrekking van het ontslag op staande voet, alleen wanneer een vaststellingsovereenkomst zou worden getekend. Dit valt echter naar het oordeel van de kantonrechter niet uit het e-mailbericht af te leiden en volgt evenmin uit de omstandigheden. Onbetwist staat immers vast dat werkgeefster nadien het volledige loon over de maand januari 2021 aan werkneemster heeft voldaan alsmede met haar in overleg is gegaan over het vervolg. Dat partijen op dat moment de intentie hadden om de arbeidsovereenkomst in onderling overleg te beëindigen, maakt dat niet anders. Hieruit blijkt immers nog niet dat dit een voorwaarde was voor de intrekking. Aldus is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat het ontslag op staande voet van 14 januari 2021 op 8 februari 2021 onvoorwaardelijk is ingetrokken, zodat van een ontslag geen sprake meer is. Daarmee is voorshands eveneens aannemelijk geworden dat de kantonrechter in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven. Dit betekent dat werkgeefster aan werkneemster het overeengekomen loon is verschuldigd. Een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 7:628 BW gaat volgens de kantonrechter niet op. Volgens werkgeefster is er geen sprake van ziekte bij werkneemster, maar gesteld noch gebleken is dat werkneemster op enig moment hersteld is gemeld, terwijl het op de weg van werkgeefster had gelegen om – indien zij van mening was dat werkneemster inmiddels weer kon werken – de bedrijfsarts in te schakelen om daar een oordeel over te geven. Dit heeft werkgeefster niet gedaan waardoor het verweer niet opgaat. Gelet op het hiervoor overwogene zal de kantonrechter het verschuldigde salaris van € 1.117,35 bruto per maand toewijzen.