Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 3 augustus 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:7610
Feiten
Werknemer is in de periode van 1 oktober 2013 tot 31 december 2020 bij de KvK ingeschreven geweest als statutair bestuurder van werkgeefster. In die periode heeft werknemer arbeid verricht ten behoeve van werkgeefster en loon ontvangen. Er was geen sprake van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Vanaf 31 december 2020 heeft werknemer geen arbeid meer verricht voor werkgeefster, geen loon meer ontvangen en is er geen loon meer aangegeven bij de Belastingdienst. Werknemer is eveneens per 31 december 2020 uitgeschreven bij de KvK als statutair bestuurder. X is vanaf de oprichting van werkgeefster enig aandeelhouder. Werknemer en X hadden vanaf 2003 een affectieve relatie. Eind december 2020 is de relatie beëindigd. Werknemer vordert betaling van achterstallig loon en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Werknemer legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat hij arbeid heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Op grond van artikel 7:610a BW wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst indien een persoon ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand, arbeid verricht. Wanneer aan die criteria is voldaan, wordt onder meer vermoed dat sprake is van een gezagsverhouding. Nu werknemer heeft gesteld en werkgeefster niet heeft betwist dat sprake was van arbeid gedurende veertig uren per week en dat werknemer hiervoor een beloning diende te ontvangen, wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Werkgeefster heeft hier met haar betwisting onvoldoende tegenover gesteld, zodat vaststaat dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Opzegging
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst op 31 december 2020 is geëindigd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de overeenkomst door werkgeefster dan wel door werknemer is opgezegd. De kantonrechter oordeelt dat nu de beëindiging van de arbeidsovereenkomst mede een gevolg was van het einde van de affectieve relatie tussen werknemer en X, op werkgeefster een onderzoeksplicht rustte om de werkelijke bedoelingen van het handelen van werknemer na te gaan. Gesteld noch gebleken is dat werkgeefster aan deze onderzoeksplicht heeft voldaan of dat werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting heeft gedaan omtrent (definitieve) beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat partijen na de opzegging opnieuw in gesprek zijn gegaan over het hervatten van de werkzaamheden is een contra-indicatie voor het feit dat werknemer de wens had de arbeidsovereenkomst definitief te beëindigen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat werknemer de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Uit de gedragingen van werkgeefster bleek haar wil om werknemer niet langer in dienst te houden. Werknemer kon die gedragingen ook op deze manier opvatten. Werknemer is na 31 december 2020 niet meer komen werken en heeft zich ook niet beklaagd over het ontslag. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en dat werknemer deze opzegging heeft aanvaard.
Vergoedingen en loon
Werkgeefster heeft de opzegtermijn niet in acht genomen en is derhalve de vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd. Het verzoek tot betaling van achterstallig loon wordt afgewezen. Tegenover de gemotiveerde en onderbouwde stelling van werkgeefster had werknemer zijn algemeen geformuleerde betwisting dat hij geen contant loon heeft ontvangen, nader feitelijk dienen te onderbouwen. Ook zijn stelling dat de door hem voor de bv gemaakte kosten niet zijn terugbetaald is onvoldoende onderbouwd. Ook dit deel van de vordering wordt dan ook als onvoldoende feitelijk onderbouwd afgewezen.