Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13 augustus 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:8159
Feiten
Werkneemster is op 17 juli 2019 in dienst getreden bij Luba Uitzendbureau (hierna: Luba). Per uitzendbevestiging is werkneemster uitgezonden naar Stichting Argos Zorggroep (hierna: Argos). Op 19 oktober 2019 was werkneemster werkzaam in het verpleeghuis, waar die avond een incident heeft plaatsgevonden, waarbij ten minste één bewoonster betrokken was. Naar aanleiding van dit incident hebben medewerkers gerapporteerd: “Mw kreeg een handgemeen met een medebewoner. De medebewoner gaf mw een klap in haar gezicht en pakte haar beet bij de bovenarmen en duwde haar hard op de grond. Dit werd gezien door een collega.” Werkneemster heeft zich per 21 oktober 2019 ziekgemeld, hetgeen heeft geleid tot verbreking van de uitzendovereenkomst met Luba. Op 24 oktober en 23 december 2019 heeft werkneemster een bezoek gebracht aan de huisarts. Die heeft gerapporteerd dat werkneemster ruziënde cliënten uit elkaar moest halen waarbij zij is gevallen en is gebeten door een patiënt. Hierdoor heeft zij veel last van haar linkerheup en last van angstklachten. Bij brief van 15 januari 2020 heeft werkneemster Argos aansprakelijk gesteld voor de schade. Bij verstekvonnis van 22 december 2020 is Argos veroordeeld tot betaling van € 20.000 aan werkneemster als voorschot op de geleden en nog te lijden schade. Werkneemster heeft opnieuw gevorderd dat Argos wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 20.000 aan werkneemster als voorschot op de geleden en nog te lijden schade en tot vergoeding van alle geleden en te lijden schade, op te maken bij staat.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat werkneemster ter onderbouwing van haar standpunt heeft gewezen op verklaringen van collega’s. Deze zijn echter inconsistent. Weliswaar volgt uit haar verklaringen steeds dat haar bij het uit elkaar halen van twee vechtende bewoners een vorm van geweld is overkomen, maar de toedracht van het incident is steeds verschillend. Bij het eerste bezoek aan de huisarts heeft de huisarts namelijk gerapporteerd dat werkneemster is gevallen en zou zijn gebeten bij het uit elkaar halen van twee vechtende bewoners. Bij het tweede bezoek heeft de huisarts gerapporteerd dat zij naast de beet ook is geduwd en tegen de grond gegooid. Verder heeft werkneemster eerst verklaard dat de bewoonster werd gewurgd, dat zij aan haar haren werd getrokken en op de grond werd gegooid door de bewoner en gebeten door de bewoonster. In haar latere verklaring heeft werkneemster gemeld dat zij ook gekrabd werd door de bewoonster. Kortom, de verklaringen zijn niet eenduidig. Daarbij hebben de collega’s van werkneemster het incident niet met eigen ogen gezien. Daarom kan Argos slechts gissen naar de toedracht van hetgeen heeft plaatsgevonden. Ook hebben de collega’s inconsistente verklaringen afgelegd. Daar komt bij dat de schade van werkneemster tot op heden nauwelijks is onderbouwd. Zowel de materiële als de immateriële schade is, los van algemene stellingen dat zij schade heeft geleden, niet gespecificeerd. Bovendien volgt uit de rapportages dat werkneemster ook voor het incident al kampte met mentale klachten, zodat ook het causaal verband tussen de door werkneemster gestelde schade en het betreffende voorval onvoldoende vaststaat. Geconcludeerd wordt dat vaststaat dat er een incident heeft plaatsgevonden, maar dat de standpunten ten aanzien van de toedracht lijnrecht tegenover elkaar staan. Beide partijen hebben hun standpunten onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter laat werkneemster daarom toe tot bewijs van haar stelling dat zij, en welke, schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden.