Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 augustus 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:8424
Feiten
Werknemer is in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven op de door hem gevorderde tredeverhogingen en de overeengekomen arbeidsduur.
Oordeel
Inschaling
Beoordeeld moet worden of de feitelijke werkzaamheden van werknemer voldoen aan de in het handboek gegeven functieomschrijving van hovenier A of van hovenier. Werknemer heeft in dat kader alleen gewezen op het door hem uitgevoerde werk, maar heeft daar verder geen toelichting op gegeven. In de getuigenverklaringen wordt daar ook niet concreet op ingegaan. Werknemer heeft in het geheel geen koppeling met de functieomschrijvingen gemaakt. De functieomschrijving van hovenier is niet eens in het geding gebracht, zodat ook om die reden geen vergelijking kan worden gemaakt. In het tussenvonnis is weliswaar overwogen dat het leidinggeven aan twee of drie personen past binnen de functie van hovenier A, maar dat is onvoldoende om te oordelen dat werknemer vanaf maart 2015 in overwegende mate het bij die functie behorende werk heeft verricht. De vergelijking met de functie van hovenier A is in het tussenvonnis alleen gemaakt omdat het debat van partijen zich uitsluitend toespitste op de vraag of het werk van werknemer behoorde tot de functie van hovenier-voorman of van hovenier A (zijnde de functie waarin werknemer vanaf 1 januari 2019 was ingeschaald).
Tredeverhogingen
In verband met verjaring gaat de vordering niet verder terug dan maart 2015. Niet in geschil is dat werknemer vanaf maart 2015 tot januari 2019 is ingeschaald in de functie van hovenier in schaal III. Uit het voorgaande blijkt dat deze inschaling juist is geweest. Tussen partijen is in geschil of telkens de juiste tredeverhogingen zijn toegepast. Werknemer stelt dat in maart 2015 moest worden uitgegaan van trede drie, omdat hij al sinds eind 2011 werkzaam was als hovenier. Werkgever is het daar niet mee eens, omdat werknemer tot oktober 2014 nog in dienst was als geoefend hovenier en daarna pas als hovenier is gestart. In maart 2015 zat werknemer daarom nog in trede nul. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Geoefend hovenier is geen in het handboek omschreven functie en werkgever heeft niet aangevoerd waar deze functie onder valt. Dit had wel van werkgever verwacht mogen worden omdat de hele zaak draait om de functieomschrijvingen en inschaling. Uit het loonoverzicht van werkgever lijkt te volgen dat hij uitgaat van de functie van assistent-hovenier, maar deze indeling ligt gelet op de ervaring van werknemer en de functiebenaming “geoefend hovenier” niet voor de hand. Werkgever heeft zich bovendien in zijn conclusie van antwoord nog op het standpunt gesteld dat geoefend hovenier staat voor hovenier en dat werknemer als hovenier is ingeschaald. Er zal dan ook van worden uitgegaan dat de geoefend hovenier moet worden gelijkgesteld met de functie van hovenier. Werknemer was dus al vanaf 2012 werkzaam als hovenier en moest daarom in maart 2015 worden ingeschaald in schaal III trede drie.
Overeengekomen arbeidsduur
In de arbeidsovereenkomst staat dat de werktijd 40 uur bedraagt en in de daaropvolgende verlengingen staan hierover geen nieuwe afspraken. Dit betekent echter niet zonder meer dat de overeengekomen arbeidsduur ook 40 uur per week bedraagt. Partijen kunnen immers – zoals werkgever aanvoert – zijn overeengekomen dat werknemer 40 uur per week zal werken en dat hij drie uur per week aan ATV-uren zal opbouwen. Dat partijen dit hebben afgesproken lijkt te volgen uit de door werkgever overgelegde e-mail van 15 januari 2018. Daarin heeft werknemer een overzicht aan werkgever gestuurd met zijn niet opgenomen vakantiedagen en ATV-dagen. Werknemer wist dus kennelijk wel dat en hoeveel ATV-uren hij opbouwde bij werkgever. De kantonrechter is op basis van deze stukken voorlopig van oordeel dat moet worden uitgegaan van een 37-urige werkweek. Werknemer heeft echter nog niet op deze stukken kunnen reageren en zal daarom in de gelegenheid worden gesteld dat alsnog te doen. Werkgever zal daarna in gelegenheid worden gesteld om te reageren. De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat eerst werknemer en daarna werkgever een akte kan nemen, zoals hiervoor onder 2.10 en 2.12 bedoeld. Iedere overige beslissing zal worden aangehouden.